Over Mahabalipuram en andere dingen die voorbij gaan

In Mahabalipuram treedt Lex Veldhoen in de voetsporen van een 18e eeuwse koopman en waant zich even alleen in het Indiase toeristenparadijs

Mahabalipuram is een tempelstadje met ruim 12.000 inwoners aan de zuidoost kust van India. Het is welvarend door de combinatie van zee, strand en unieke tempels. Een plek waar backpackkers en toeristen, na vaak moeizaam reizen door India, bijkomen in budgethotelletjes en visrestaurants met terrasjes. Er is een German Bakery, bij Nautilus (Franse eigenaar) kun je patat of ratatouille eten en het wemelt van de internetcafé's, kledingwinkels en souvenshops waar godenbeeldjes, tanka's en edelstenen te koop zijn.

De reizende koopman Jacob Haafner (1755-1809) trof in zijn tijd een ander 'Maveliepoeram' aan: 'een ellendig dorp met kleine strooijen hutten, bewoond door eenige arme braminen die leven onder de slaafsche dwingelandij der Europeanen (). De stad moet van een verbazenden omvang geweest zijn, indien men rekent, dat zij niet alleen de gansche vallei, die wel drie mijlen in den omtrek heeft, besloeg, maar nog daarenboven de wel tweemaal zo uitgestrekte landstreek die nu door golven wordt overdekt. Wanneer, en op hoedanig eene wijze de zee deze inbreuk maakte, of door eenen orkaan, of langzamerhand, - is volstrekt onbekend. () Niets van deze beroemde stad is meer overig () Waar is zij nu met hare twintig poorten, en honderd paleizen?'

KUST TEMPELS

Mahabalipuram is nu vooral beroemd vanwege de shore temple met zijn tweelingtorens met piramidale opbouw. Het bouwwerk is inmiddels uitgeroepen tot werelderfgoed en wordt tegen de zee beschermd door een wal van basaltblokken. Het werd gebouwd omstreeks 800 na Christus door de Pallava-dynastie en is gewijd aan Shiva en Vishnu. Ooit waren het zeven tempels, die 'zich van het strand in eene regte lijn achter elkanderen, meer dan eene mijl verre, als een rif van kliffen, diep in zee uitstrekken' De zee heeft zes tempels verzwolgen, slechts één is behouden gebleven en heeft zelfs de tsunami overleefd, waarna archeologen restanten van de andere shore temples op het strand teruggevonden.

Haafner, in 1775 in het Duitse Halle geboren, maar al jong met zijn ouders naar Nederland verhuisd, leidde een gepassioneerd leven vol avontuur en romantiek. Hij was veelzijdig, leefde en reisde al vanaf zijn elfde jaar rond in India en Ceylon, waar hij later als klerk, boekhouder en handelaar werkte. Hij leerde diverse Indiase talen, beschreef de cultuur en de geschiedenis van het land en vertaalde de Ramayana, een Indiaas godenepos. Zijn meeslepende autobiografie werd geprezen door Multatuli en deels in het Duits en Frans vertaald. Deze mengeling van reisverhalen, liefdesgeschiedenissen, culturele, antropologische beschrijvingen en politieke verhandelingen (hij was sterk anti-Engels en antikolonialistisch) beslaat zo'n 1100 pagina's. Het is in 1997 door Walburg Pers in drie banden heruitgegeven.

Mahabalipuram is niet alleen beroemd vanwege de shore temple. Het kent tientallen hindoetempels, op en rond een heuvel gebouwd. Ze stonden in Haafners tijd nog 'eenzaam, met digt en ondoordringbaar kreupelbosch omringd; slangen en hagedissen wonen er in, en de felle adder heeft hier haar nest'

De heuvel, opgebouwd uit enkele tientallen gigantische rotsblokken, is tegenwoordig tot toeristisch park omgedoopt. De tempels zijn verbonden door paden en een man probeert een set ansichtkaarten aan me te slijten, net op het moment dat ik zelf een foto neem. Op een rots bij de vuurtoren staat een kleine rechthoekige tempel. Uit de rots zelf is eveneens een zuilentempel gehouwen en uit een nabij gelegen rotswand een bas-reliëf (10 bij 30 meter) met tientallen mensfiguren en levensgrote olifanten.

steenhouwen

Niet minder populair zijn de steenhouwers. Ze werken bij de vuurtoren, in kleine ateliers, vaak alleen beschermd door een afdakje van stro. Hier is het droge geklik van metaal op steen te horen. Honderden beitels houwen onophoudelijk en ritmisch beelden. Met slijptollen wordt het grove werk gedaan, met doeken het polijsten voltooid. Boven de straat hangt een stofwaas van steengruis.

Niet alleen worden godenbeelden gehouwen, voor een werkplaats staan een levensgrote Gandhi, een geornamenteerde stenen bank en krokodillen, cobra's en olifanten in allerlei maten. Een steenhouwer vertelt dat hij, net als de overige duizend houwers, tot de vierde generatie behoort die het vak hier uitoefent. De beelden worden verscheept en over de hele wereld verkocht, vooral aan geëmigreerde Indiërs in Afrika, Engeland en Amerika.

Als je de steenhouwerstraat uitloopt, richting Sadras, zijn daar vijf tempels, de Ratha's, gehouwen uit een en hetzelfde rotsblok. Haafner: 'Bij deze tempels staan verscheidene dieren, als olifanten, leeuwen, enz. meer dan levensgrootte, die mede uit denzelfden berg gebeiteld zijn.' Ze staan er nog, versteend. Maar Haafner had geluk dat het tempelcomplex nog geen toeristische attractie was. Nu is het een melkkoe: buitenlandse toeristen betalen tien keer zo veel entree als Indiase bezoekers.

Niet alleen de oude stad en zes shore temples zijn in zee verdwenen, ook de omgeving van Mahabalipuram is sterk veranderd. Noteerde Haafner dat het in de bossen 'rond Mahabalipuram weergalmde van het kirren der tortelduiven', tegenwoordig hebben de kraaien met hun gekras het luchtruim overgenomen boven de grote kale vlakte die Mahabalipuram omgeeft: braakliggend land, hier en daar rijstveldjes en wat struiken. Naast vogels komen er alleen nog slangen voor als cobra's en kraits.

tijgers

In Haafners tijd wilde niemand in de plaatselijke schuilplaats voor reizigers overnachten 'wegens de wilde dieren als tijgers en jakhalzen, ja zelfs hyena's, die zich op deze, met ondoordringbaar kreupelbosch en ruigte bedekte heuvelen, en in de bouwvallen of ruinen ophouden.' Niet lang tevoren nog was een dorpeling door een tijger verscheurd, zo werd hem verteld.

Haafner besloot twee vuren aan te leggen en met zijn dragers beurtelings de wacht te houden. Hij laadde zijn geweer en stak een sigaar aan: 'Ik zag geen ander licht dan dat der glimmende vuurwormpjes, die over de struiken zweefden, de doodsche stilte, die rondom ons heerschte, werd alleenlijk gestoord door het akelige gehuil der jakhalzen' Totdat hij het vreselijke gebrul hoort van een tijger. Hij pakt zijn geweer en loopt met twee koelies, fakkels in de handen, rond de schuilhut, maar ziet niets: 'Eenige treden verder was kreupelbosch, waarschijnlijk dat deze dieren in hetzelve verborgen waren en op ons loerden; ik schoot er in, om ze te verdrijven, zoo zij er zich nog in mogten bevinden.'

Ik verblijf zorgeloos in Hotel Sea Breeze. Het stond anderhalve maand geleden na de tsunami nog een meter onder water. Maar het is alweer onzichtbaar hersteld, al is een muur tussen hotel en strand weggevaagd en kijk je nog steeds vanaf het blauwbetegelde zwembad, waar westerlingen alweer liggen te bruinen op witte ligstoelen, recht naar zee. Tien kilometer verderop, in het vriendelijke plaatsje Sadras - waar Haafner naar eigen zeggen de gelukkigste tijd van zijn leven doorbracht - verblijft de vissersbevolking na de grote klap nog steeds in schamele plastic tenten.

Een oud Nederlands fort, dat iets achteraf ligt, is onbeschadigd gebleven, maar de vissershuizen en hutten op het strand zijn vrijwel volledig verwoest. Vissers tonen me een klein vlot van bamboe, versierd met kleurig plastic, met onder een afdakje iets wat op een altaar lijkt. Ze vertellen dat het na de tsunami is aangespoeld en uit Sri Lanka of Thailand afkomstig is. Zelfs een schaal met een deksel, een klein godenbeeldje en andere attributen hebben de overtocht overleefd en staan onbeschadigd op het kleine altaar.