Onderwijsvernieuwing, met een harde kop en zachte hand

Even golfde de emotie door de grote zaal van De Rode Hoed in Amsterdam. Leerkrachten klommen over elkaars benen naar de interruptiemicrofoon. Maar al snel bleek dat zij het over van alles oneens waren. En dan komt de revolutie niet.

Aanleiding was de retorische vraag van het Tweede-Kamerlid Ursi Lambrechts (D66): 'Wat heeft de lerarenkamer gedaan?' De samengestroomde docenten konden zich wel opwinden over de lawine aan vernieuwingen die over hen is uitgestort, maar bij de invoering gingen zij niet als één man de straat op.

Eén leraar gaf het toe, maar wat kon hij doen? 'Dan kwam er weer zo'n team met propaganda langs en dan was je een dinosauriër als je tegen was.' Toen het Genootschap van Leraren met de ABOP fuseerde, kwam ook van vakbondskant geen steun meer voor verzet.

Heersten hier maar Franse toestanden, denk je soms op zulke momenten. Daar wordt af en toe een probleem uitvergroot op straat. Universiteit en school gaan plat, de bonden vullen de boulevards. Het volk denkt dat het meebeslist als het er toe doet. De methode heeft ook bezwaren: la manif lucht op, maar als winkelruiten zijn gesneuveld, blijkt dat de actie voornamelijk tegen was, en zelden voor iets kan zijn. De regering bindt meestal in. Jammer van een plan dat misschien nuttig was voor de Franse economie, zoals nu met het flexibele jongerencontract waaraan premier Villepin zijn lot heeft verbonden.

In Nederland is zonder veel opstand in twintig jaar het halve onderwijs op de schop gegaan, met merendeels desastreuze resultaten volgens Leo Prick, columnist in deze krant. Hij was met zijn boek Drammen, dreigen en draaien (Mets & Schilt uitgevers) de aanstichter van het debat in Amsterdam. De politiek slikte de ene na de andere grootscheepse hervorming, constateert Prick, omdat de kwestie al zo lang sleepte. De pers lette bij de zoveelste variant ook niet meer op. Onderwijsvernieuwing als sleur.

De schrijver had gevraagd of ik er bij wilde zijn als een van degenen die in de krant nog wel eens hadden gewaarschuwd tegen de vernieuwingswoede, en vooral de gepropageerde schaalvergroting in het onderwijs. Het kwam me op een speldenprik van de CDA-onderwijsspecialist Wim Van de Camp te staan, die bij zijn verdediging van het scholenfusiebeleid 'de Chavannes-romantiek' van kleine scholen afserveerde.

Van de Camp gaf even later overigens toe dat de schaalvergroting intussen meer 'middle management' dan didactiek had toegevoegd in onderwijsfabrieken met soms 2.200 leerlingen. Hij had destijds een compromis met de PvdA gesloten en vóór de basisvorming gestemd in de hoop dat een voor alle 12 tot 14-jarigen gelijke onderwijsinhoud werd afgesproken. Nu blijkt dat 30 procent in Amsterdam de Cito-toets niet kan maken, is die verwachting niet uitgekomen. Hij was daarover desgevraagd beschaamd, noch boos: 'In onze kring is men altijd teleurgesteld.'

Leo Prick kreeg van de CDA-woordvoerder gelijk dat in het voortgezet onderwijs nu een scherpere tweedeling tussen geluksvogels en pechklanten bestaat dan vóór de basisvorming. De invoering van de brede scholengemenschap is mislukt, stelde Van de Camp vast.

Deze week legde de Tweede Kamer in alle stilte de laatste hand aan de afschaffing van de basisvorming. Op naar de volgende vernieuwing. Er komen veel minder uniforme 'leerdoelen' - zo'n woord waarmee onderwijs in dit land nog steeds tot exclusief jachtgebied voor deskundigen wordt gemaakt. Wat ook komt: geleidelijke invoering bij de onderbouw van de vooronderstellingen die het Studiehuis en het Nieuwe Leren hebben bevrucht. Kennis is vermoeiend. Docenten moeten kinderen voortaan vooral begeleiden.

Reden genoeg eens langs te gaan bij de man die zijn naam verbond aan de vorige grote vernieuwing: Jacques Wallage, staatssecretaris van Onderwijs van 1989 tot 1993. In zijn zonnige werkkamer onder de Martinitoren moet de burgemeester van Groningen grinniken bij alle eer die hem wordt toebedeeld in het drama.

Toen hij aantrad werd al twintig jaar gediscussieerd over het voortgezet onderwijs. Het middenschool-ideaal van zijn partijgenoot en voorganger Van Kemenade was hopeloos gepolitiseerd. Wallage erfde van de vertrekkende minister van Onderwijs, Deetman, voorstellen tot een basisvorming. ,,Ik moest wat doen om de discussie te kanaliseren. De dynamiek buiten het onderwijs was groter dan daarbinnen. De samenleving eiste dat leerlingen niet te vroeg voorsorteerden.'

Wallage drukte niets door, verzekert hij, maar sloot een compromis met het CDA door alleen een kerncurriculum voor te stellen. Dat mocht van hem niet te makkelijk zijn. De PvdA-wens van een hervorming van de structuur van het voortgezet onderwijs leverde hij in. 'Ik werd in eigen kring afgeschilderd als een waterverfsocialist, maar ik heb niet meer gedaan dan consensus organiseren.'

Zo'n 'zaal vol Leo Prickjes', zoals Wallage de critici omschrijft, geeft hem al jaren de schuld van alles wat er sindsdien is misgegaan op basis van een parodie van wat hem voor ogen stond, zegt hij. Niemand let meer op het oorspronkelijke doel: hoe kun je heel verschillende kinderen voorbereiden op de toekomst? 'De middenschoolgedachte is verweesd geraakt. Als ik nog eens vier jaar op Onderwijs had gekregen, had ik kunnen voorkomen dat de zaak in een ideologische valkuil terechtkwam. Beleid is niet alleen een optelsom van klachten en problemen. Je moet met ruggengraat en visie een ideaal durven doorvoeren. Oplossingen zoeken, met een harde kop en zachte hand.'

De Tweede Kamer sprak deze week op gedempte toon over al weer een nieuwe versie van de ideale school. Rust in het onderwijs, beloofde minister Van der Hoeven, maar op de eerstegraadslerarenopleiding zitten dit jaar acht mogelijke aanstaande leraren natuurkunde. Voor het hele land, met 800 middelbare scholen. De praktijk is nijpender dan waar sommige idealen rekening mee houden.

Redacteur NRC Handelsblad