Klager mag nu zelf komen klagen

erik hout - the dutch disciplinary system for health care: an empirical study - 178 blz. vrije universiteit amsterdam, 9 maart 2006. promotores: prof.dr. g. van der wal, prof.mr. j.h. hubben, mr.dr. j.m. cuperus-bosma

Het moet voor iedere klager bij het medisch tuchtcollege een teleurstelling geweest zijn te ontdekken dat zijn betrokkenheid bij de procedure eindigt met het indienen van de klacht. De klager speelt verder geen enkele rol. De Medische Tuchtwet van 1928 was ook niet bedoeld om hem aan zijn recht te helpen, maar de medische beroepsgroep te beschermen tegen slecht werkende artsen. De zittingen van het tuchtcollege vonden ook altijd achter gesloten deuren plaats en in het college domineerden de medici. Bijna tien jaar geleden is het medisch tuchtrecht opnieuw geregeld in de Wet BIG, de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. De klager heeft nu wel toegang tot de zitting, kan daar ook gehoord worden en krijgt bericht van de eindbeslissing van het tuchtcollege. De procedure voorziet niet in een of andere vorm van genoegdoening of schadeloosstelling voor de klager. Daarvoor moet hij een civiele procedure starten. Als het om een zeer ernstige zaak gaat, om meer dan 'handelen of nalaten in strijd met de zorg' die geleverd moet worden, volstaat het tuchtrecht niet meer en komt de strafrechter in beeld.

In zijn proefschrift brengt Erik Hout de praktijk van het medisch tuchtrecht in Nederland vooral kwantitatief in kaart. Dat is informatief, maar veel meer dan een vrij rechttoe rechtaan beschrijving van de feiten biedt hij niet. Hij gaat vooral na of er sinds de modernisering van de tuchtrechtspraak in 1997 veel veranderd is in de frequentie en de aard van het klaaggedrag en in de uitspraken van de regionale tuchtcolleges. Omdat de Wet BIG ook beroepen onder het tuchtrecht heeft geplaatst die er vroeger buiten vielen (fysiotherapeuten, verpleegkundigen, gezondheidszorgpsychologen), besteedt hij naast de stand van zaken bij de traditionele groepen (artsen, tandartsen, apothekers, vroedvrouwen) in het bijzonder ook aandacht aan de indiening en behandeling van klachten tegen deze beroepsbeoefenaren. Vroeger kon er tegen hen eigenlijk alleen een klacht ingediend worden bij hun beroepsvereniging, maar het effect daarvan was vrij gering, omdat de zwaarste sanctie niet meer inhield dan de verwijdering uit het ledenbestand. Maatschappelijk had dat verder weinig of geen gevolgen.

Worden er veel klachten aanhangig gemaakt bij het medisch tuchtcollege? Op het eerste gezicht lijkt dat wel het geval. Hout komt uit op bijna 13.500 klachten, maar wel over een periode van 20 jaar (1983 - 2002). Per jaar gaat het om 660 klachten, die behandeld worden door vijf regionale tuchtcolleges. Als je dan bedenkt dat er in Nederland bijna 40.000 artsen, 7500 tandartsen, 2500 apothekers, meer dan 135.000 verpleegkundigen en ongeveer 15.000 fysiotherapeuten en even zovele gezondheidszorgpsychologen werkzaam zijn, is het meteen duidelijk dat het om een heel klein aantal klachten gaat. Bovendien heeft meer dan 90% van de klachten alleen betrekking op artsen, al moet daarbij wel rekening gehouden worden met het feit dat alle klachten tegen artsen over een periode van 20 jaar meegeteld zijn en bij bijvoorbeeld verpleegkundigen alleen de ongeveer 140 klachten uit de periode 1998 - 2001. Niettemin blijft ook dan een jaarlijks cijfer van een klacht per 4000 verpleegkundigen natuurlijk erg laag. Veel klachten worden ook ingetrokken voor het tot een behandeling door het tuchtcollege komt en al te vaak moet een klager ook worden afgewezen, omdat hij geen direct betrokkene is of omdat de klacht niet aan de vormvereisten voldoet.

In verreweg de meeste gevallen komt het ook niet tot een veroordeling en een sanctie. Bij de artsen gaat het om ongeveer 120 veroordelingen per jaar, meestal in de vorm van een waarschuwing of berisping, uiterst zelden in de vorm van een tijdelijk of definitief verbod op de uitoefening van het beroep. Gemiddeld gebeurt dat maar twee keer per jaar. Dit zijn wel de veroordelingen die het meest de aandacht trekken, ook omdat ze vrijwel altijd gepubliceerd worden. De meeste klachten en ook veroordelingen hebben betrekking op het niet geven van goede of tijdige zorg, niet komen wanneer dat wel nodig was en onzorgvuldige of botte bejegening. Patiënten en hun familieleden gaan vaak pas over tot het indienen van een klacht, als de arts of verpleegkundige niet bereid is een fout toe te geven of zich voor ongepast gedrag te verontschuldigen. Ongewenste seksuele intimiteiten komen ook wel voor, maar vormen toch een kleine minderheid op de lijst van klachten.

Hoewel de tuchtcolleges niet worden overstroomd met klachten en zelden tot de oplegging van een sanctie komen (de wet voorziet helaas niet in de mogelijkheid een klacht gegrond te verklaren zonder een sanctie op te leggen), beleeft iedere hulpverlener in de gezondheidszorg alleen al het aanhangig maken van een klacht als weinig minder dan een veroordeling. Het is dan wel een opluchting als de klacht ongegrond wordt verklaard, maar dat verandert weinig aan het gevoel gefaald te hebben of volstrekt ten onrechte in het beklaagdenbankje te zijn gezet.

Opvallend is wel dat de modernisering van het tuchtrecht niet tot een stijging van het aantal klachten heeft geleid. Dat is bij nader inzien ook wel begrijpelijk, omdat de meeste patiënten echt niet zullen weten dat hun positie in de klachtprocedure versterkt is. Meestal zullen ze zelfs de weg naar het tuchtcollege niet weten te vinden, laat staan met succes te bewandelen. Daar komt nog bij dat zieken- en verpleeghuizen tegenwoordig eigen klachtcommissies hebben en ook meestal duidelijk laten weten dat men daar terecht kan. In de psychiatrie zorgt de patiëntenvertrouwenspersoon er al meer dan twintig jaar voor dat het niet tot een formele klacht hoeft te komen.

Uit het proefschrift van Erik Hout kan overigens niet afgeleid worden dat er te weinig klachten ingediend worden bij de tuchtcolleges. Het zou natuurlijk mooi zijn als de conclusie zou kunnen luiden dat de kwaliteit van de Nederlandse gezondheidszorg zo goed is dat er nauwelijks reden tot klagen is. Helaas, ook dat kan niet uit dit onderzoek worden afgeleid.