'Ik ben weer helemaal van de schoenen en de jurkjes'

Toen de dertigjarige Suzanne van der Schot drie jaar geleden intrad in een klooster in Parijs, vertelde ze daar in deze krant over, onzeker maar vastberaden. Het kloosterleven beviel haar, op één ding na: de gehoorzaamheid. Hoe is het haar vergaan?

Drie jaar geleden ging ze het klooster in, Suzanne van der Schot. Dat was verwonderlijk genoeg: ze was niet opgevoed in een gelovig milieu, ze was 30 jaar, ze had een baan en een goede opleiding, ze was aantrekkelijk en vrolijk. Toch wilde ze intreden bij de Fraternités Monastiques de Jérusalem in Parijs. Ze zei daarover, in een interview met deze krant vlak voor haar vertrek: 'Ik wil met mijn leven daar [...] een tegenbewering geven tegen het materialisme en de overvloed. Zo is het met dat habijt ook. Ik sta er niet om te springen, maar ik wil het wel dragen als een getuigenis: 'Hier sta ik voor en ik lijd er niet onder'.'

De Fraternités de Jérusalem is een nog tamelijk jonge orde, opgericht halverwege de jaren zeventig, waarin over het algemeen jonge mensen intreden, dit in tegenstelling tot bijna alle andere kloosterorden. De gemeenschappen leven en werken in steden, om daar tussen al het lawaai en de drukte een ander leven te leiden. Ze doen geen sociaal werk, Jérusalem is een contemplatieve orde midden in Parijs. De monniken voorzien in hun eigen onderhoud door 's ochtends werk buitenshuis te doen. Er wordt veel gebeden, de broeders en zusters brengen vier uur per dag in de kerk door.

Voor haar vertrek zei Suzanne dat ze wel een beetje opzag tegen de lange kerkdiensten die ze tijdens bezoeken aan Brussel, waar Jérusalem een vestiging heeft, al had meegemaakt: 'Zat ik daar om zes uur 's morgens in de kerk en dacht: ik heb geen zin, en na tien minuten dacht ik: wat dóé ik hier en na vijftien minuten: ik wil wég. Terwijl je ook denkt: het is allemaal zo mooi, ze hebben echt een prachtige liturgie, en ik zit hier met de spiritualiteit van een zak aardappelen. Iedereen zit hier God te ervaren, behalve ik.'

Na een jaar was ze terug in Amsterdam. Zonder baan, zonder huis, zonder beeld van haar toekomst. Veel was anders geweest dan gedacht. Ze schreef een boek onder de titel Moeilijk te geloven dat eind deze maand verschijnt, waarin ze verslag doet van haar tijd in het klooster. Eigenlijk dekt de titel de lading niet. Want ze vond het helemaal niet moeilijk om te geloven. Wat ze moeilijk vond, was iets anders: gehoorzaamheid. En wat haar beviel, verrijkte, veranderde, waren juist die lange kerkdiensten waar ze zo tegenop had gezien.

Pierre-Marie Delfieux, de stichter van de orde, schreef een boek dat een handreiking is voor de monniken van Jérusalem. Het eerste woord daarin is 'Aime', 'Heb lief'. Je haalt dat veelvuldig aan.

'Ja. Je moet dat niet vooral zien als het liefhebben van iemand. Etty Hillesum heeft het over 'levenshonger', dat is voor mij dat liefhebben. Dat je de wereld ziet, dat je niet onverschillig bent. Het tegenovergestelde van liefde is niet haat, maar onverschilligheid. Ik vind het belangrijk om aandachtig te leven, en voor mij is dat: gelovig leven. Leven van binnenuit. Het is erg in om op zoek te gaan naar je eigen kern, met cursussen waarmee je in drie dagen een gelukkig mens kan worden. Maar dan gaat het alleen om jezelf en dat wil ik niet. Het mooie aan het geloof is dat het om de ander gaat. Ik ben niet alleen, ik ben deel van de wereld waarin ik ook mijn verantwoordelijkheid heb. Het ergste is als je zou zeggen: na mij de zondvloed.'

En waarom heb je daar het geloof bij nodig?

'Dat geldt voor mij nu eenmaal. Het is prettig om een bepaalde richting te hebben in je leven, om ergens in geworteld te zijn. Ik heb structuur nodig. Er zijn ook andere dingen waar je houvast uit kan halen, maar die beslaan, vind ik, maar een deel van je menszijn. Op zijn best is dank zij het geloof alles wat ik doe, tot de afwas aan toe, doordrenkt van het religieus besef. In de praktijk is dat natuurlijk niet steeds zo, maar daar streef je wel naar. Het heft het hele leven een beetje op. In het klooster leer je om zo te leven. Daarbuiten kan dat natuurlijk ook.'

Is dat wat je van het kloosterleven geleerd hebt, alles met aandacht te doen? Het leven te heiligen?

'Dat hoop ik. Het klooster is een biotoop waarin het je gemakkelijker wordt gemaakt om zo aandachtig te zijn. Het scheelt ook dat je het in een gemeenschap doet, een groter geheel dat uitstijgt boven je eigen belang. Je draagt elkaar. Ik heb er wel meer van geleerd, er zijn ook vragen beantwoord. Bijvoorbeeld de vraag naar het belang van het gebed, wat het voor zin heeft om uren per dag stil in een kerk te zitten. Een medezuster zei: 'C'est la gratuité'. Het gaat om de belangeloosheid ervan. Wat heeft het voor zin om van iemand te houden? Wat heeft het voor zin om van muziek of een schilderij te genieten? De liefde zelf is het belangrijke. Al is het natuurlijk ook niet zo dat je die in een klooster de hele dag voelt. Het is ook maar een manier van leven. Iedereen wil iets van z'n leven maken, iets bijdragen.'

Het kloosterleven wordt meestal eerder gezien als een terugtrekken dan als een bijdrage leveren.

'Het lijkt van buitenaf allemaal zo braaf, maar het is juist een krachtige beweging. Het moet niet lijken of ik tegen de wereld ben, maar je ziet af van macht, bezit, behoeftebevrediging. Je doet dat echt, zichtbaar. Een monnik geeft zijn leven aan zijn overtuiging. Dat is een sprong, zeker in een wereld waarin je juist alles zou kunnen hebben. Er is kennelijk ook een enorme behoefte aan. Als je een weekend in het klooster in Egmond wilt doorbrengen, moet je een jaar van tevoren reserveren.'

Toch willen de meeste mensen niet zo leven.

'Ik heb in ieder geval de overtuiging dat ik het nodig heb om een paar keer per dag te bidden en ik zie dat een hele hoop mensen, vrienden, leeftijdgenoten, naar zoiets op zoek zijn. Ze stellen zich de vraag: wat is er meer dan de dagelijkse dingen, meer dan werken, eten en slapen? Je hoeft het antwoord op die vraag niet in de kerk te zoeken, maar aan de andere kant: waarom niet? De generatie van mijn ouders wil alles behalve het christendom. Maar dat is onze traditie, en er zit zoveel in. Waarom moet ik dan naar een bergtop in Nepal om mezelf te gaan zoeken? Ik denk dat het geloof voor veel mensen heel verrijkend kan zijn.'

Na de liefde, is het tweede belangrijke punt in het kloosterleven de stilte. Hoe stil was het nu eigenlijk daar in dat huis met dertig vrouwen?

'Behoorlijk stil. Er wordt in huis niet gepraat, behalve tijdens de recreatie. Dus ook niet als je samen aan het eten koken of afwassen bent. Tijdens de maaltijden wordt voorgelezen, de anderen zwijgen. Je bent wel ontzettend veel aan het luisteren naar anderen trouwens. Daar werd ik wel eens moe van. Je hebt dan ook zelf wel de neiging om wat te zeggen. Tijdens het werk buitenshuis wordt er trouwens wel gepraat. Verder heb je geen radio, televisie, e-mail, weinig telefoon. Wel post.'

En hoe is dat nu hier in Amsterdam?

'Ik heb geen televisie. Ik luister wel naar de radio. Ik ben nog steeds matig in sociale contacten, daar heb ik weinig behoefte aan. Ik heb wel vrienden hoor, maar die hoeven er niet steeds te zijn.'

In je boek beken je op het laatst dat je ook eenzaam was in het klooster.

'Je hebt enerzijds de hele dag mensen om je heen, daar werd ik in het begin helemaal gek van. Anderzijds kun je, omdat je altijd met zovelen bij elkaar bent, nooit zeggen wat je bezighoudt, wat je voelt. Dat maakt eenzaam. Als er vrienden uit Nederland op bezoek kwamen, kwamen ze vaak met z'n vieren tegelijk - dan leg je ook je ziel niet bloot.

'Toch zijn die stilte en die eenzaamheid ook mooi. De stilte van de vieringen draag je met je mee. Dat is natuurlijk ook het doel, je treedt niet in om vriendinnen te krijgen. Het doel is: alleen te zijn voor God. Ik merkte wel dat dat werkte, dat het iets opleverde... Dat is geweldig.'

Je schrijft in je boek: 'Er is iets buiten mij om gegroeid, een innerlijk leven, waar ik geen idee van had dat het bestond.'

'Ja. En dat raak ik nu in het gewone leven weer kwijt. Al doe ik mijn best om het vast te houden en bid ik twee keer per dag.'

Behalve om stilte, vraagt een klooster ook om gehoorzaamheid. In zijn 'Livre de vie' schrijft Delfieux dat je uit liefde gehoorzaam zou moeten zijn.

'Ik was daar niet zo goed in. De andere dingen, de armoede bijvoorbeeld, die vallen wel mee, je kunt in het klooster krijgen wat je wilt. En de kuisheid - nu ja, je gaat niet naar het klooster als je iemand wilt ontmoeten of kinderen wilt krijgen. Maar die gehoorzaamheid! Het gaat erom dat je je eigen belang opzijzet voor het monastieke belang en dat is goed. Het maakt vrij omdat je niet zelf alles hoeft te verzinnen. Maar ik vond het zo vernederend om op zondagmiddag te moeten vragen of ik even naar buiten mocht voor een wandelingetje met Bernard Zweers, de vroegere pastor uit de Nicolaaskerk die tegelijk met mij ingetreden was. Hij vroeg trouwens wel toestemming, en kreeg die ook.'

Je hield ook nog wat geld uit Nederland achter de hand om af en toe een ijsje of een glaasje wijn te nemen op zondagmiddag. Dat is natuurlijk ook niet de bedoeling.

'Iets voor jezelf willen houden, dat is het moeilijkste om op te geven. De beschikking te hebben over je eigen tijd. Dat ene kleine ding, die wandeling en dat glaasje wijn - raar hè, dat het daar op stuk liep. Zeseneenhalve dag in de week kan je me alles vragen, maar dát. Ik denk dat iedereen dat moeilijk vindt, maar het is de kunst om die behoefte los te laten. Als de liefde voor dat leven groot genoeg is, dan kun je dat. Dus moet ik achteraf zeggen dat die liefde niet groot genoeg was.

'Toen ik moest beslissen om het habijt te gaan dragen en te verhuizen naar de vestiging in Brussel zag ik zo'n klein dakraampje voor me, in Brussel wonen de zusters op een bovenhuis. En ik zou daar niet meteen werk buitenshuis hebben en dus weer moeten dweilen en strijken Dan ben je ineens als een dolle hond die opgesloten zit, die wil maar één ding: eruit.'

Denk je er achteraf nog steeds zo over?

'Het voelde toen als falen. Ik was heel verdrietig, omdat het leven verder zo mooi was. Het bracht me wel aan het twijfelen over wat ik nu eigenlijk verlangde. Je krijgt het nooit zoals je het hebben wilt. Maar het ging echt niet.'

In haar boek schreef ze: 'Is mijn voorgenomen vertrek niet gewoonweg een uiting van het syndroom waar mijn generatie aan lijkt te lijden: we willen geen keuzes maken, we willen alles. We willen een spiritueel leven leiden en de nieuwste films gezien hebben, we willen boeken lezen en we willen een succesvolle carrière. Dat gaat dus niet.'

En nu is ze weer lerares Nederlands, heeft ze weer een huis, koopt ze weer met animo nieuwe kleren.

'Ik ben weer helemaal into de schoenen en jurkjes. Ik heb er de pest over in dat het zo is, maar ja. Je moet vrede hebben met je eigen tekortkomingen zonder dat je daarover gebogen gaat staan. Dat heb ik wel geleerd.' Suzanne van der Schot: 'Moeilijk te geloven' verschijnt 28 maart bij uitgeverij Nieuw Amsterdam.