Het plein maakt de stad

Alle wegen in de stad zouden moeten leiden naar hét plein van de stad. In Nederland deugen de meeste pleinen niet. Stadsgeograaf Wagenaar legt uit waar dat aan ligt.

Bernard Hulsman

Pleinen zijn de belangrijkste plekken in de stad. Niet alleen vinden hier revoluties plaats en presenteren vorsten en andere halve en hele machthebbers zich aan het volk als ze trouwen of de macht overnemen, ook komen stedelingen, dagjesmensen en toeristen er samen om oudjaar te vieren of rond te hangen.

In veel westerse steden staat de ouderwetse openbare ruimte echter onder druk, zegt Michiel Wagenaar, Amsterdams stadsgeograaf en auteur van het boek Stedebouw en burgerlijke vrijheid. Wagenaar: 'Shopping malls en andere overdekte ruimtes die officieel privé zijn, rukken op. Maar nog steeds zijn steden vooral beroemd om hun pleinen: Siena met Il Campo, Rome met het Sint Pietersplein, Moskou met zijn Rode Plein, Brussel met zijn Grote Markt, noem maar op. Nog steeds zijn goede, mooie pleinen plekken waar mensen graag komen.'

Maar aan goede, mooie pleinen heeft Nederland gebrek. 'Ze zijn er wel, hoor', zegt Wagenaar. 'Als ik me even tot Amsterdam beperk, dan is de Nieuwmarkt een voorbeeld van een goed plein. Daar komen allerlei mensen: yuppies, studenten, bohémiens, buurtbewoners, maar ook bejaarden uit het tehuis aan het plein en niet te vergeten de junkies. Kenmerk van een goed functionerend plein is dat er allerlei soorten mensen komen, zonder dat één groep domineert. Ook het Amstelveld is een mooi plein. Maar er zijn veel meer pleinen die niet deugen, zoals het Max Eeuwe-plein in Amsterdam, dat een jaar of vijftien bij het Leidseplein werd aangelegd. Dat wordt voornamelijk gebruikt door fietsers als doorgangsroute. Daar blijven cafés en winkels failliet gaan. Na de Tweede Wereldoorlog is er niet één goed plein tot stand gekomen. In ieder geval heeft de Franse provinciestad Nancy met zijn Place Stanislas een plein met veel meer allure dan welk Amsterdams plein ook.'

Volgens Wagenaar laat Place Stanislas zien waarom mooie, monumentale pleinen in Nederland schaars zijn. 'In Nancy was het de hertog Stanislas Leszcyynski, de verdreven Poolse ex-koning, die in de 18de eeuw een prachtig, monumentaal plein liet maken voor zijn schoonzoon, koning Lodewijk XV', zegt Wagenaar. 'Macht helpt bij het maken van mooie, monumentale pleinen. Pleinen zijn kostbaar: er is veel geld voor nodig om dure stadsgrond leeg te laten. Ze zijn daarom vaak een vertoon van macht en rijkdom. Het Plaza Mayor in Salamanca, misschien wel het mooiste plein dat ik ken, is te danken aan de macht aan de kerk. De tientallen pleinen die de stedenbouwer Haussmann in de negentiende eeuw in Parijs liet aanleggen, waren ondenkbaar zonder de macht van keizer Napoleon III. Nederlandse steden waren van oudsher burgersteden zonder machtige vorsten. Bovendien was in Nederlandse steden de grond extra duur door de drassige bodem die wallenkanten en dergelijke nodig maakten. Daarom werd maar weinig ruimte leeg gelaten. En als er ruimte leeg werd gelaten, dan werden die gebruikt voor markten. Nederlandse pleinen zijn heel vaak functionele ruimtes. De Dam in Amsterdam is bijvoorbeeld van oorsprong een dam in de Amstel. Pas in de loop van de eeuwen is de ruimte hier steeds leger gemaakt.'

In Nederlandse steden zijn pleinen vaak `restruimtes` die niet apart ontworpen zijn. 'Met als gevolg dat er geen traditie van pleinen ontwerpen is ontstaan', legt Wagenaar uit. 'Ook in de negentiende eeuw hielden Nederlandse architecten zich niet met pleinen bezig. Daar kwam in de twintigste eeuw nog de functionalistische stedenbouw bij. Functionalisten hadden een grondige hekel aan monumentale pleinen met gesloten gevelwanden, zij adoreerden juist de open ruimte. Dat leidde tot een plein als de Agora, een zeldzaam huiveringwekkend plein in Lelystad.'

Ook nu zijn Nederlandse architecten niet goed in het ontwerpen van pleinen, vindt Wagenaar. 'Het Schouwburgplein in Rotterdam is uitbundig geprezen', zegt Wagenaar. 'Maar het is een plein dat helemaal niet werkt. Ik ga er regelmatig naar toe met studenten om te kijken hoe zo`n nieuw plein functioneert. Zelfs op een zonnige lentedag kun je er `s middags een kanon afschieten. Terwijl de directe omgeving alle voorwaarden biedt voor een goed functionerend plein waar mensen naar toe gaan om naar anderen te kijken. Er is een bioscoop, er zijn cafés en restaurants, er zijn winkels en woningen. En toch loopt er bijna niemand. Dat heeft ook te maken met de vormgeving en al die ongebruikelijke materialen die voor het plein zijn gebruikt, zoals bobbelend rubber en metalen platen met gaten waarop het vervelend lopen is.'

Ondanks het onvermogen van Nederlandse architecten goede pleinen te ontwerpen, is Wagenaar niet somber over de toekomst van Nederlandse pleinen. Hij verwacht enig heil van de trend van historiserende architectuur die steeds sterker wordt in Nederland. 'Een van mijn studenten heeft eens voorbijgangers in Lelystad fotomontages van vier mogelijke ontwerpen voor een nieuwe Agora laten zien. Tachtig procent van de mensen kozen voor een plein dat werd omgeven door oud-Hollandse huisjes. Retro-architectuur is een bewezen succes. Rem Koolhaas, Nederlands beroemdste architect, zegt: `Fuck the context`. Maar `fake the context` is een oud middel dat veel beter werkt. `Fake the context` kwam goed van pas bij bijvoorbeeld de beroemde Grote Markt in Brussel. De gevels van de huizen op het plein lijken 17de eeuws maar het zijn allemaal kopieën. Hetzelfde geldt voor het Grand`Place in Arras. De meeste mensen weten dat niet en wie het weet, vindt het niet erg. Nep helpt.'