Het kneden der kweekjes

Onderwijzers in spe staan al ruim 200 jaar bloot aan kritiek, zegt onderzoekster Mineke van Essen.Jacqueline Kuijpers

Mineke van Essen. Foto Sake Elzinga Groningen - 22-03-2006 Minneke van Essen , hoogleeraar aan de Universiteit van groningen. Onlangs verscheen van haar het boek Kwekeling tussen akte en ideaal over de Pabo studenten. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Hoewel ze zelf geen juf is geworden, had ze haar kwekelingperiode voor geen goud willen missen. Dat vertelt Mineke van Essen, historica en hoogleraar genderstudies aan de Rijksuniversiteit Groningen aan de telefoon. Toen ik in 1965 als docent geschiedenis voor de klas kwam te staan heb ik veel voordeel gehad van mijn jaren op de kweekschool. Want op de universiteit leerde je destijds vrijwel niets van pedagogiek en didactiek.'

Aanleiding voor het gesprek met Van Essen is het verschijnen van haar lijvige studie Kwekeling tussen akte en ideaal, de opleiding tot onderwijzer(es) vanaf 1800. Het boek bevat veel historisch uniek materiaal, aangezien voor het eerst op deze schaal onderzoek is verricht naar de kweekscholen van weleer. Van Essen put uit diverse bronnen: romans, wetenschappelijk onderzoek, historisch materiaal (brochures, foto's, rapporten, verslagen) en de ervaringen van 300 oud-kwekelingen die zij ondervroeg. Ik wilde de doelgroep zelf voor het voetlicht brengen, als eerbetoon aan al die generaties kwekelingen.' Om tussen al die anekdotische verhalen de rode draad te blijven volgen valt niet altijd mee, maar de lezer krijgt wel een echt tijdsbeeld voorgeschoteld.

Want de lio-stagiair (leraar in opleiding) van nu is absoluut niet te vergelijken met de kwekeling van toen. Het grote verschil zit hem in de verlichte pedagogische doelstellingen van de opleiders. De docenten van de kweekscholen wilden hun 'kweekjes' bovenal opvoeden tot ideale, deugdzame burgers, zodat die op hun beurt deze idealen konden overbrengen op hun leerlingen.

Maar is dat in wezen nog steeds niet wat wij willen voor onze kinderen? Van Essen: Ik denk het wel, maar in de huidige opleiding komen jongeren binnen op een leeftijd waarop ze al zelfstandig en behoorlijk gevormd zijn. Daar kun je niet dezelfde regels voor instellen als de kweekscholen vroeger hanteerden.'

Kwekelingen waren namelijk veel jonger dan de pabo-studenten van nu. Aanvankelijk startten ze al als tienjarigen op de normaalschool, waar ze overdag op de lagere school hielpen en 's avonds voor hun akte leerden. Vanaf 1850 ontstonden kweekscholen waar leerlingen na de lagere school naar toe gingen. Hier werd meer theorie gedoceerd en zaten de leerlingen vaak intern. En kon dus 24 uur per dag aan hun vorming worden gewerkt. Van Essen: Dit speelde het sterkst op de katholieke jongenskweekscholen. Daar werd in de pedagogiekboeken een stevige paragraaf gewijd aan de vereisten waaraan een onderwijzer moest voldoen. Waarschijnlijk komt dit doordat in katholieke kringen de (mannelijke) onderwijzer in de eerste plaats werd gezien als de rechterhand van de priester, die de kinderen tot God moest brengen.'

Een belangrijke eigenschap die elke onderwijzer moest bezitten was zelfbeheersing. Om dat te bereiken werden de kwekelingen onderworpen aan een streng regime, waardoor ze leerden gehoorzamen. Alles wat genot gaf was verdacht, zegt Van Essen. Het meest heikele onderwerp was seksualiteit. Contacten met de andere sekse waren streng verboden, laat staan seks hebben en zwangerschap. Wie betrapt werd, werd van school verwijderd. Dat was zo tot het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw.'

Van Essen geeft sprekende voorbeelden, zoals de Rijkskweekschool in Hengelo waar - in de oorlogsperiode - een zwarte streep het gangpad verdeelde in een jongenspad en een meisjespad. En de ervaring van een oud-kwekeling die van de Maria Immaculatakweekschool in Heerlen werd weggestuurd omdat ze in haar agenda had geschreven 'leuze van de school: toujours l'amour'. Ze schrijft: 'De nonnen keken de agenda's na als wij gingen lunchen.'

Uiteindelijk was het deze verstikkende moraal die een bom legde onder het instituut kweekschool. In 1970 speelden op de Bisschoppelijke kweekschool in Beverwijk twee mannelijke leerlingen met condooms. Zij werden geschorst. Zoals gebruikelijk. Maar wat niet gebruikelijk was, was dat de hele schoolbevolking ertegen in opstand kwam. Deze revolutie leidde het begin in van de ondergang van de kweekschool en de opkomst van de pabo. Voor Van Essen is dit het eindpunt, omdat toen het ideaal van opvoedbaarheid van de kwekeling werd losgelaten.

De rode draad in Van Essen's boek is, in haar eigen woorden, 'de queeste naar de steen der wijzen', een verwijzing naar de middeleeuwse zoektocht van alchemisten naar een middel om onedele metalen in goud te veranderen. De kweekscholen hebben 200 jaar gezocht naar de ideale balans tussen de drie pijlers van de opleiding: de vakmatige (algemene) kennis, de pedagogisch/didactische theorie en de praktische uitoefening van het vak.

Maar die balans is nooit gevonden, zegt Van Essen. Er is sprake van een slingerbeweging. Aanvankelijk lag de nadruk op de praktijkvorming. Later verschoof dat richting het vergaren van vakkennis. Onderwijzers hadden, gechargeerd, nog nooit een kind van dichtbij gezien als ze hun akte behaalden en voor de klas kwamen te staan. Met de Kweekschoolwet van 1952 kwam de pedagogische theorie centraal te staan. En de afgelopen decennia ligt de nadruk weer op de praktijkvorming. Mijn boodschap aan de lerarenopleiders is om eens pas op de plaats te maken en nu écht te werken aan een betere balans tussen de drie pijlers.'

Het gevolg van de voortdurende slingerbeweging was en is een niet-aflatende stroom van kritiek op onderwijzers en onderwijzeressen in spé. Afhankelijk van waar de slinger zich bevond, zouden ze niet kunnen rekenen en spellen, geen kaas hebben gegeten van orde houden of alleen maar 'pedagogentaal' spreken. De geschiedenis herhaalt zich dus. Ook als het gaat om de ambivalente status van het beroep. Van Essen: Wij hebben een beeld van het dorpsschoolhoofd dat meedraaide in de wereld van de notabelen, maar in de praktijk deed die onderwijzer toch niet op dat niveau mee. Als je zo eindigde was je toch een soort van mislukt. Geslaagd was je als je met je kwekelingopleiding bijvoorbeeld journalist of schrijver werd. Zelfs in de negentiende eeuw waren er al discussies over de status van het beroep en vonden onderwijzers dat ze niet genoeg gewaardeerd werden. Dat verraste mij ook.'

Mineke van Essen, Kwekeling tussen akte en ideaal. Uitgeverij SUN, Amsterdam. ISBN 90 8506 268 3. Prijs: € 24,50 (inclusief dvd met historisch filmmateriaal)