De verliezers van de toekomst

Binnen het tijdbestek van één week onthaalde het Centraal Planbureau (CPB) ministers, bureaucraten en betrokken burgers op twee cruciale rapporten. Geheel volgens de receptuur van het zittende kabinet kwam eerst het zuur, daarna het zoet. Het zuur druipt van de pagina's van een studie naar de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn. In hun kristallen bol nemen de rekenmeesters waar dat het volgende kabinet voor een bedrag van 15 miljard euro aan maatregelen moet treffen. Door lastenverzwaringen en ombuigingen in deze orde van grootte eindigt het kabinet-Bos (2007-2011) na vier jaar met een overschot op de begroting gelijk aan 3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Bij dit overschot zijn zowel de belastingdruk als het profijt van de overheid eerlijk over nu levende en toekomstige generaties verdeeld.

Het zoet kwam enkele dagen later. Toen publiceerde het CPB zijn verwachtingen voor de Nederlands economie op de korte termijn. Naar verwachting groeit het bruto product in 2006 en 2007 met 3 procent per jaar, daalt de werkloosheid en blijft de inflatie laag. De magere jaren liggen achter ons. Dankzij de late groeispurt zijn uitgaven en ontvangsten van de overheid volgend jaar nagenoeg in evenwicht.

Toch zit er nog steeds een worm in het klokhuis van de verzorgingsstaat. Het na de oorlog geweven web van sociale bescherming geeft de nu levende generaties al met al meer rechten (op uitkeringen, zorg en onderwijs) dan plichten (om belasting en premies te betalen). In zijn langetermijnstudie laat het CPB zien dat door de vergrijzing van de bevolking en het wegvallen van de aardgasbaten de uitgaven van de overheid bij handhaving van de bestaande regelingen harder groeien dan de inkomsten. Hierdoor neemt het tekort op de begroting toe. De overheid moet dus steeds meer lenen. De overheidsschuld neemt toe. De hogere rentelasten die dat meebrengt, versterken de spiraal naar steeds omvangrijker begrotingstekorten. Vroeg of laat moeten onze gekozen vertegenwoordigers de tering naar de nering zetten. Hoe langer de noodzakelijke maatregelen worden uitgesteld, des te krachtiger de overheid straks moet bezuinigen of des te forser de lasten later moeten stijgen om de verzorgingsstaat betaalbaar te houden. Bij uitstel worden nog ongeboren generaties de grote verliezers.

De generaties die het nu voor het zeggen hebben, kunnen de boodschap van het Planbureau ongestraft negeren. Bij ongewijzigd beleid lopen de overheidsuitgaven (nu 48 procent van het bbp) dan op tot 55 procent van het bbp in 2040. Dat lijkt niet direct rampzalig. In de periode 1980-1994 lag de uitgavenquote hoger. Dit ging echter destijds al gepaard met grote tekorten, waardoor de staatsschuld explodeerde. Kabinetten van verschillende politieke samenstelling bezuinigen al een kwart eeuw lang om de overheidsfinanciën weer gezond te maken. Het zou onverstandig zijn de daarbij bereikte resultaten via kortzichtig beleid weer te verkwanselen.

Hoe dan ook, het kabinet-Bos zal er niet in slagen tijdens de rit voor 15 miljard euro aan bezuinigingen en lastenverzwaringen te realiseren. Dat hoeft ook niet, want het kan een deel van de oplossing in latere jaren vinden. Door de AOW-leeftijd geleidelijk op te trekken tot 67 jaar in 2025 en senioren stapsgewijs AOW-premie te laten betalen, valt in de komende twintig jaar meer dan 2 procent van het bbp te besparen. Voor de aankomende kabinetsperiode resteert dan een inspanning van 5 miljard euro. Wel zal bij dit scenario direct in 2007 moeten worden besloten tot onpopulaire ingrepen bij het icoon van onze verzorgingsstaat. Zodoende krijgt iedereen tijd om zich in te stellen op een toekomst waarin mensen later hun AOW-uitkering krijgen en ouderen AOW-premie gaan betalen over de eerste 30.000 euro van hun inkomen. Bejaarden met een klein pensioen zullen daarvan overigens niets merken, want zij krijgen automatisch compensatie in de vorm van een hogere AOW-uitkering.

Het valt echter te voorzien dat drastische aanpassingen bij de AOW-politiek evenmin haalbaar zijn. Een derde 'oplossing' wenkt: niets doen. Het volgende kabinet kiest ervoor de uitkomsten van de CPB-studie straal te negeren. Argumenten genoeg. De onzekerheden zijn groot. Het kan allemaal meevallen. Ja, maar de kans op enorme tegenvallers, vooral bij de uitgaven voor de gezondheidszorg, lijkt zeker zo groot als de kans op meevallers. Ander argument om niet naar het Planbureau te luisteren: de welvaart blijft toenemen. Dit maakt het eenvoudiger om eerst over vijftien of twintig jaar zo nodig op de uitgaven te bezuinigen. 't Is een drogreden. De verwachtingen van de burgers stijgen gelijk met de welvaart. We zijn nu anderhalf keer zo welvarend als dertig jaar geleden, maar bezuinigen is nog net zo lastig als in 1975.

Politici kunnen ervoor kiezen onvermijdelijke aanpassingen van de verzorgingsstaat af te wentelen op generaties die nog geen stemrecht hebben. Dat is verleidelijk, maar ook laf. Het strookt bovendien niet met de ideologische grondslagen van PvdA (eerlijk delen, ook tussen generaties) en CDA (rentmeesterschap). Zo blijft er hoop voor wie anders de verliezers van de toekomst zullen zijn.