De therapeutische werking van Roemeense zigeuners (4)

Naast de bruine tegelkachel zit een meisje met in haar armen een slapende baby van een paar weken oud. Aan de muur boven haar een wandkleed - Jezus omringd door een kudde schapen. Het is elf uur 's ochtends en ter verwelkoming zijn er al een fles whisky en een fles palinka doorheen gegaan. Bij de voordeur rusten tientallen schoenen. Het bezoek moest de schoenen aanhouden. In een hallucinerend mintgroen geschilderde kamer van 4 bij 4 meter spelen leden van de beroemdste zigeunerband ter wereld voor ons, op kousenvoeten.

Ingeklemd tussen de tegelkachel en de televisie maken de vijf - twee violen, een contrabas, een draagbare cimbalo en een accordeon - muziek in een tempo waar The Ramones diep voor zouden buigen. De accordeonspeler raakt me het meest. Hij is van middelbare leeftijd, heeft een vrolijk treurige kop met een snorretje, een jasje over een wollen v-hals trui met daaronder een tot bovenaan dichtgeknoopt wit overhemd met donkere das, een dunne grijze flanellen broek completeert het geheel: hij heeft zich voor ons opgedoft.

In zijn mond glanzen twee gouden tanden. Hij rookt als een ketter, zoals trouwens iedereen in dit huis, van zeven tot zeventig. Ouder dan dat worden ze zelden, de levensverwachting van de Roemeense zigeuner ligt vijftien jaar lager dan die van ons muesli-etende niet-rokende West-Europeanen. In een verloren moment tussen twee ballades in, als Sophia foto's aan het maken is, tilt de primas zijn kleinzoon op, een peuter die net kan lopen, en stopt de hummel voor het leuke effect een sigaret tussen de lippen.

Dit zijn de contreien van Europa waar de reisgids Molvania, a land untouched by modern dentistry op geïnspireerd is, waar vooral goudsmeden aan gebitsproblemen verdienen, waar lokaal vervoer met paard en wagen gaat, waar ouderwets gerookt wordt, waar als je bij een minister van gezondheidszorg binnenstapt het eerste wat hij doet is je een sigaret aanbieden. Hoewel ik niet rook, waardeer ik dat. Het paternalistische, Westerse uitbannen van het roken valt niet toevallig samen met opbloeiend fundamentalisme. Zendingsdrang, voor welke parochie dan ook, maakt mensen in het beste geval onuitstaanbaar, maar meestal tot monsters.

De accordeonist houdt niet van praten. Steeds als ik langer dan drie minuten met de primas spreek - mijn bedoeling is de muzikanten te interviewen - zet hij een volgend nummer in. Meteen springen alle muzikanten op en grijpen de instrumenten, zoals mannen in Maffia-films naar de wapens graaien bij een politie-inval. Iedereen voelt zich geroepen de accordeon te volgen.

Het bloedeloze dat nogal wat klassieke musici aankleeft heeft mij nimmer gecharmeerd. De sfeer van heilig ontzag wanneer dat soort lieden het podium betreedt - men hoort slechts het kraken van hun leren zolen en het parket - is voor mij eigenlijk al genoeg om naar buiten te willen vluchten. Dan het aanstellerige stemmen - had dat niet eerder gekund? - waarbij het publiek geacht wordt de adem in te houden. Het heeft op mij dezelfde uitwerking als het tikken van een klok in een muisstil huis op een regenachtige zondag. Het herinnert teveel aan de dood.

Nee, dan de zigeuners. Terwijl ze spelen als derwisjen kijken ze blanco naar het plafond, familieleden komen binnen en dringen tussen de muzikanten door, peuters struikelen over de sokken van de violisten, een enkele keer zet iemand de televisie aan om te zien of er iets gemist wordt, tussendoor is er een voortdurend transport van koffie, cognac, wijn, olijven en sigaretten. Soms verdwijnt er een muzikant, iemand anders neemt dan zijn plaats in. Muziek en leven zijn volkomen verweven.

Als de cimbalist gaat pissen, speelt de tweede violist met de viool aan zijn kin met één hand de cimbalo. Even later kuiert een niet eerder waargenomen man in trainingspak binnen en neemt het over. Mijn half-Hongaarse schoonfamilie is behoorlijk muzikaal. De instrumentaal meest getalenteerde van mijn schoonzusjes speelt sinds enkele jaren de cimbalo en beweert dat dat lastig is; in dit gehucht kan echt iedereen cimbalo spelen, terwijl ze met duivelse snelheid op de snaren roffelen, kijken ze verveeld, als snackbarpubers achter een fruitautomaat.

Het mooiste van alles is deze nonchalante virtuoosheid, de achteloosheid waarmee de sterren van de hemel worden gespeeld. De lokale aanhang blijft onbewogen. Naast de televisie staat een verweerde man met een dikke bril en een Holden Caulfield-achtige pet met oorflappen te roken, alsof hij op de bus staat te wachten en het fijn zou vinden als die herrie even kon stoppen.

De oudste dochter van de primas, een ravissante zigeunerin - alle dochters des huizes zijn behoorlijk goed gelukt - staat in de andere hoek van de kamer, rechts naast de tegelkachel. Ze moet een jaar of zeventien zijn. Haar rug recht en haar hoofd geheven. Haar billen naar achteren geperst tegen de tegelkachel. Trots en kracht straalt ze uit. Ze kijkt de manlijke bezoekers geen moment aan, maar staat klaar als Isaak Babels' Di Grasso om met één grote sprong door de kamer te vliegen en je de strot door te bijten.

Zeventig jaar geleden schreef Isaak Babel over Di Grasso's optreden in de opera van Odessa: '[Hij] bevestigde met ieder woord en ieder gebaar dat er in een uitbarsting van edele hartstocht meer hoop en gerechtigheid steekt dan in de vreugdeloze spelregels dezer wereld'.

Evenals de Roma muzikanten van Wallachië.

(wordt vervolgd)

jaap@scholten.hu