De stelling van socioloog Wout Ultee: er is meer sociale daling nodig

We hebben veel te veel vage, goedbetaalde functies in Nederland, zegt socioloog Wout Ultee tegen Kees Versteegh.

Wout Ultee, hoogleraar algemene en theoretische sociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen (Foto Merlin Daleman) W. Ultee. Utrecht, 22-03-06 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Er zijn allerlei aanwijzingen dat de samenleving minder open wordt: de opwaartse mobiliteit in het onderwijs en op de arbeidsmarkt neemt af volgens een recent OESO-rapport. Hoe komt dat?

'Onder meer omdat er te weinig sociale daling is vanuit de hoogste inkomensgroepen. Openheid in een samenleving betekent namelijk twee dingen: dat het gemakkelijk wordt om van lagere inkomensgroepen omhoog te komen. Maar ook: dat er niet te veel mensen met een goede baan en een hoog inkomen vast blijven zitten aan de top. Er moet immers ruimte zijn aan de top om naar toe te stijgen. De politiek en het sociaalwetenschappelijk onderzoek kijken te veel naar het eerste, de opwaartse mobiliteit. Welke politieke partij durft nou in haar verkiezingsprogramma te zetten: er moet meer sociale daling komen in Nederland.'

Dat is niet alleen een kwestie van durf, maar ook van urgentie. Er lijkt nu eenmaal een groter probleem te zijn met bijvoorbeeld drop-outs in het onderwijs die aan de kant dreigen te blijven staan en daardoor niet kunnen stijgen.

'Maar dat probleem heeft de politiek voor een belangrijk deel aan zichzelf te wijten. Een groei van drop-outs kun je zien aankomen als je besluit de leerplichtige leeftijd op te trekken. Dan kan iedereen snappen dat er meer mensen buiten de boot vallen. Dat kun je oplossen met een bonnensysteem dat het mogelijk maakt gratis onderwijs op hogere leeftijd te krijgen. Waarom moeten we al onze onderwijsrechten opsouperen in onze jeugd? Waarom mag je geen rechten op gratis onderwijs reserveren voor het tijdstip dat je ontdekt dat je onderwijs tekortkomt voor die ene geweldige baan die je wilt hebben? Dit is een organisatievraagstuk. Hiermee vergeleken is het probleem van sociale daling belangrijker.'

Dat vindt de politiek dus niet. Die wil nog steeds dat mensen sociaal stijgen. De afgelopen week bijvoorbeeld ging het nog om hoogopgeleide vrouwen die de PvdA aan de slag wil houden en verder omhoog wil duwen. Als ze thuis gaan zitten, zouden ze voor straf zelfs een deel van de studiekosten moeten terugbetalen.

'Dat probleem wordt door de politiek overdreven. Alsof steeds meer hoogopgeleide vrouwen thuis zitten. Het omgekeerde is het geval, blijkt uit langetermijnonderzoek. Bleven vroeger hoogopgeleide vrouwen meteen na hun huwelijk thuis om voor de kinderen te zorgen, dat is langzaam opgeschoven naar het eerste en zelfs tweede kind. Ook in dit opzicht wordt het steeds voller aan de top en wordt het steeds belangrijker na te denken over de vraag hoe je daar meer ruimte kunt scheppen.'

Laten we eens een poging doen. Welke factoren bepalen de ruimte aan de top?

'Die kan voor een deel komen uit economische groei en daarmee groei van de werkgelegenheid, of uit de groei van de bureaucratie waar veel goedbetaalde banen zitten. Maar dat is niet genoeg. De werkgelegenheid groeit er niet hard genoeg voor, onder meer omdat de politiek het streven naar volledige werkgelegenheid stilletjes heeft laten vallen. In de jaren zestig van de vorige eeuw vonden we twee procent werkloosheid nog veel. Nu vinden we vier procent werkloosheid vergeleken met andere EU-landen 'best meevallen' , zeggen we dan. Langzaamaan zijn de doelstellingen op dit gebied de laatste decennia bijgesteld. Dat is ten koste gegaan van de ruimte voor allerlei groepen om te groeien.'

Maar er is toch genoeg groei aan de top? De kenniseconomie vertoont juist gaten, - we moeten mensen uit India halen - en de bureaucratie zorgt voor zichzelf als het om groei gaat.

'Nee. Bij die kenniseconomie in bijvoorbeeld de IT-sector gaat het om hele dure of heel specialistische banen waar lang niet iedereen voor in aanmerking komt. En bij de groei van de bureaucratie zitten vaak verkeerde banen, waar we juist een keer van af moeten. We zijn bij onze faculteit net weer begonnen met het maken van de beroepenladder voor Nederland: een overzicht van de beroepenstructuur van de laatste tien jaar. En wat blijkt nu al?Nederland heeft er een karrenvracht aan vage beroepstitels bijgekregen: beleidsmedewerkers, consultants, dat soort werk. Ik heb geen flauw idee wat die mensen allemaal doen. Maar het gaat wel om hoge functies die goed betaald worden. In dat soort banen moet je schrappen, als je ruimte wilt scheppen aan de top.'

Hoe ziet u dat voor zich? Je kunt die beleidsmedewerkers toch niet zomaar wegsturen?

'Klopt. Dat kan niet. We zullen er vooral ons onderwijs voor moeten aanpakken, proberen andere vaardigheden aan te spreken, andere opleidingen aan te bieden. Dat is een kwestie van lange adem.'

Vertel.

'We hebben ons bij onderwijsdiscussies geconcentreerd op de structuur, vmbo, middenschool, basisvorming. We verwachtten daar alle heil van als het ging om sociale stijging voor kinderen uit de lage inkomensgroepen. We hebben weinig gekeken naar wat er intussen in de klas zelf, in het onderwijs zelf gebeurde. Leerlingen worden steeds meer aangesproken op hun verbale vaardigheden en minder op het produceren van kennis, het opdreunen van feitjes en het kennen van algemene beginselen. Er wordt van kinderen verwacht dat ze een verhaaltje kunnen houden of iets kunnen schrijven over de textielindustrie in Lancashire in 1830. Daar moet je 'flux de bouche' voor hebben. Maar leerlingen hoeven steeds minder te weten wat bijvoorbeeld de zwarte bladzijden in de Nederlandse geschiedenis zijn.'

Maar wat heeft dat nu met mobiliteit te maken?

'Mijn stelling is dat stampen, uit het hoofd leren, opdreunen gemakkelijker is voor kinderen uit de lagere inkomensgroepen. Die beschikken meestal niet over die verbale vaardigheden waar kinderen nu steeds meer op aangesproken worden en die nodig zijn om bijvoorbeeld zo'n vage baan als beleidsmedewerker te krijgen. Als er meer op klassieke vaardigheden, kennis en geheugen wordt getest, dan helpt dat op den duur ook de beroepenstructuur wijzigen. Cultureel opgeklopte talenten uit de hogere inkomensgroepen komen dan niet zo gemakkelijk meer op die hoge posities terecht.'

Cultureel opgeklopte talenten?

'Ja, over hen gaat het te weinig in het mobiliteitsdebat. Er is veel te veel aandacht voor de klassiek sociaal-democratische school van redeneren die er de nadruk op legt dat er talenten verloren gaan door een - vroegtijdige - selectiviteit in ons onderwijs. Maar er zijn ook groepen die juist veel te gemakkelijk door het schoolsysteem heen komen. Kinderen die over een goede achtergrond beschikken. Die ouders hebben die weten hoe hun kind kan inspelen op wat op een school gebeurt en wat van hen gevraagd wordt. Die vriendjes hebben die ze op het hockeyveld tegenkomen.''

Ah, bah, wat een cliché.

'Ja, maar het klopt waarschijnlijk wel. Het is een hypothese, maar wij denken dat sportverenigingen een belangrijke rol spelen als hefboom van emancipatie, of liever gezegd speelden. Dat is door de verstedelijking minder geworden. Als je in een dorp wilt voetballen als notariszoontje, word je gedwongen er de nodige niet-notariszoontjes bij te halen, want er is maar één notaris. In de hockeyvereniging van de stad heb je veel meer mogelijkheden om onder gelijken te verkeren, en dat gebeurt ook, blijkt uit onderzoek. De sociale mix is daar minder sterk. De grote stad is geen plek waar mensen uit verschillende lagen gemakkelijk mengen. Segregatie is daar juist veel gemakkelijker. Ook dat maakt de samenleving minder open.'