De Franse omslag

Aan het eind van het tijdperk Chirac hebben jonge Fransen het gevoel dat ze met lege handen staan. Het is moeilijk om binnen te komen op de arbeidsmarkt en een vaste baan te vinden. Het relaas van vier dertigers. 'Twee jaar proeftijd is te lang.'

Laurent N'Goala (35) wil voorlopig geen kinderen. Hij heeft weliswaar sinds anderhalf jaar een vaste baan. En een goed inkomen, een appartement in het twaalfde arrondissement in Parijs. Maar hij huivert bij de gedachte dat een zoon of dochter - met zijn buitenlands klinkende achternaam - een even lange strijd als hij zou moeten leveren om een vergelijkbare stabiliteit te bereiken. Nee, dan maar geen gezin. 'Niet in dit systeem. Niet in dit land.'

Olivier Charenton (37) is nu anderhalf jaar werkloos. Bezit een universitair diploma internationale handel, spreekt vloeiend Engels en Duits, heeft ook in de Verenigde Staten gewoond. Maar sinds zijn Amerikaanse werkgever in Parijs de klantenservice waar hij werkte ophief 'om de aandeelhouders tevreden te stellen', komt Olivier nergens meer aan de slag. 'Ik zie geen enkele uitweg meer', vat hij zijn situatie samen. Wie nog een baan heeft, raadt hij niet aan naar ander werk te gaan zoeken. 'In deze tijd kun je beter houden wat je hebt dan voortdraven. Vaut mieux tenir que courir'.

Isabel Mosquera (29) zou graag ander werk gaan doen. Iets creatiefs, of een herberg voor toeristen opzetten, bijvoorbeeld. Daarvan kan ze dromen. Maar er is één probleem. Als zij haar technisch-financiële baan op de hoofdvestiging van supermarktketen Carrefour ten zuiden van Parijs opgeeft, kan ze niet meer terug, vreest ze. 'Het is in Frankrijk niet goed voor je reputatie als je je baan hebt opgezegd.'

Nog een andere situatie. Sylvain Aiguesparses (32) is sinds vorige week supertevreden. Hij heeft een baan gevonden. Voor een half jaar. Als vervanger van een directeur met zwangerschapsverlof. Zonder uitzicht op verlenging. Maar toch. Zulke kansen zijn schaars, sinds hij een paar jaar geleden zijn baan opzegde om weer te gaan studeren, aan de deftige communicatie- en journalistiek-school Celsa, onderdeel van de Sorbonne. 'Je hebt de boot gemist', kreeg hij te horen toen hij daarna bij een voormalige werkgever kwam aanzetten met zijn verse extra diploma.

Vier Fransen, met uiteenlopende verhalen, maar met één overeenkomst: ze schetsen Frankrijk niet als een land van hoop en toekomst. Ze spreken, zoals veel landgenoten onder de veertig jaar, over 'galérer' en 'précarité'. Ploeteren tegen de bestaansonzekerheid.

Niet toevallig zijn dat ook de steekwoorden van de honderdduizenden studenten en scholieren die de laatste weken de straat optrekken om te protesteren tegen het contrat première embauche (CPE), een flexibeler arbeidscontract voor jongeren onder de 26 jaar waarmee de regering van premier Dominique de Villepin de jeugdwerkloosheid wil bestrijden.

Voorbij zijn de tijden van 'verbeelding aan de macht' van 1968, toen er nog volop werk was. Anno 2006 demonstreren mensen omdat ze zich bedreigd voelen. En niet alleen studenten en scholieren. Hun ouders en de vakbonden demonstreren mee. In de marge van de demonstraties nemen de gewelddadigheden toe. Dat is het werk van casseurs, relschoppers, uit de banlieue, zeggen de studenten. Ze bederven het protest. Ongetwijfeld. Maar is het levensgevoel van de voorstadsjongeren wel zo verschillend van de georganiseerd demonstrerende studenten en scholieren?

Deze week trok de politicus en aankomend presidentskandidaat François Bayrou in een televisiedebat een lijn tussen de presidentsverkiezingen van 2001, toen de extreem-rechtse kandidaat Jean-Marie Le Pen de tweede ronde haalde, de banlieue-rellen van vorig najaar en de protesten van de afgelopen week. 'Het is steeds hetzelfde sociale gemopper dat opstijgt', meent Bayrou. ,,De mensen zien dat de Franse samenleving uit elkaar springt.'

Call-center

Laurent, Olivier, Isabel en Sylvain behoren tot de generatie die je de Chirac-kids zou kunnen noemen. Toen zij de arbeidsmarkt betraden, begon Jacques Chirac, in 1995, aan zijn eerste termijn als president. Maar daar begint hun geschiedenis met Chirac niet. Zolang ze bestaan, behoort hij al tot de leiders van het land. Toen ze kleuters waren (en Isabel Mosquera nog niet geboren), was Chirac, na verschillende ministersposten te hebben vervuld, voor het eerst premier (1974-'76), onder president Giscard d'Estaing.

In 1986 zaten ze op school toen de scholieren en studenten de straat opgingen tegen de onderwijshervorming van de tweede regering-Chirac (onder president Mitterrand). In 1994 protesteerden zij als studenten tegen de afschaffing van het minimum-jeugdloon door de regering-Balladur. Dat conflict droeg een jaar later bij tot de verkiezing van Balladurs rivaal Jacques Chirac tot president. Hij voerde campagne tegen 'de sociale tweedeling'. Dat sloeg aan.

In 1995 liet Chirac de regering, onder leiding van Alain Juppé, een hervormingspolitiek inzetten die opnieuw leidde tot massale demonstraties. Dat liep verkeerd af. Op het dieptepunt van de populariteit van Juppé, in 1997, besloot Chirac, onder meer op aandrang van zijn naaste medewerker Dominique de Villepin, verkiezingen uit te schrijven. Die verloor hij. De belangrijkste hervorming van de daaropvolgende regering, onder leiding van de socialist Jospin, was de invoering van 35-urige werkweek. 'Bijna twee weken extra vakantie per jaar. Dat laten de Fransen zich niet snel meer afnemen', zegt Isabel.

Ik leerde Laurent, Olivier en Isabel kennen aan het einde van de jaren negentig, toen zij net als ik werkten in een call-center in de Parijse voorstad Colombes. Zij behoorden tot de enkele tientallen Franse werknemers, de meesten universitair opgeleid. Ze hadden de verwachting dat ze een extra voordeel op de Franse banenmarkt hadden, omdat ze meer talen spraken. Vaak heel goed, doordat ze zelf een of twee buitenlandse ouders hadden.

Het werk - vragen van klanten over mobiele telefoons en telefooninstallaties beantwoorden - was voor sommigen een bijbaantje, voor anderen een tussenstap naar een 'echte' baan met perspectief. Laurent, Olivier en Isabel hoorden bij het tiental werknemers dat bleef totdat het call-center in 2000 werd opgedoekt omdat het op een andere manier goedkoper kon. Ze demonstreerden voor behoud van hun banen, voerden actie totdat zij er het landelijke nieuws mee haalden, en sleepten een half jaar extra salaris binnen. Makkelijk ging dat niet, herinnert Laurent zich: 'Mijn onderhandelingen kon ik pas afronden toen ik via via voor elkaar had gekregen dat het ministerie van Arbeid naar de werkgever belde. Maar toen was het ook binnen een dag geregeld.'

Ik dacht aan mijn vroegere collega's toen ik begin dit jaar naar premier Dominique de Villepin stond te luisteren tijdens zijn nieuwjaarsreceptie voor de pers. Hij was die dag in een zwierige bui. De premier deed het goed in de polls, de kranten speculeerden over zijn presidentiële kansen. Villepin zei daar niets over, maar speelde het spel volop. Onder begeleiding van brede gebaren en in lyrische volzinnen schetste hij vergezichten die verder reikten dan de volgende verkiezingen.

Hij trok van leer tegen de 'déclinologen': commentatoren die in boek na boek en analyse na analyse beschrijven hoe slecht het met Frankrijk gaat. Een zwakke economische groei, een staatsschuld die tot de hoogste van Europa behoort, een werkloosheid die sinds twintig jaar, langer dan waar ook in Europa, rond de tien procent zweeft. De jeugdwerkloosheid ligt op bijna 23 procent. Allemaal waar. Maar duidt dat op een onafwendbaar verval van de zesde nationale economie in de wereld? Pers, denk positief! Dat was de boodschap van Villepin. Hij noemde het 'onacceptabel' dat Fransen er zo lang over deden toe te treden tot de arbeidsmarkt. Het terugdringen van de werkloosheid is de opdracht die zijn regering zich gesteld heeft. Dat is de sleutel om de Fransen weer vertrouwen te geven, zei Villepin. Hij introduceerde zelfs een nieuw 'grand principe' in de Franse republiek, achter de trits vrijheid, gelijkheid en broederschap: 'Voortaan heeft iedereen het recht op permanente begeleiding.'

Ik vroeg mij af hoe het mijn vroegere collega's uit het call-center was vergaan en ik besloot ze op te zoeken. Wie ik sprak, bevestigde het beeld dat Villepin schetste van een moeizame loopbaan. Iedereen kende wel een paar 'slachtoffers' onder vroegere collega's die werkloos zijn of waren.

Isabel vond binnen vijf maanden werk. Laurent, zoon van een Deense moeder en een Frans-Antilliaanse vader, verhuisde eerst naar Spanje en begon daarna een postdoctorale opleiding aan een business school. Aan het einde daarvan, in 2003, kreeg hij van de 5.000 bij zijn opleiding betrokken bedrijven geen enkele stage aangeboden. Totdat hij na een paar maanden de Afrikaans klinkende naam van zijn vader inruilde voor die van zijn moeder. Als Laurent Poncin had hij 'binnen een week een baan'. Inmiddels heet hij weer N'Goala.

Olivier werkte een paar maanden in San Francisco, kreeg een tijdelijk contract in Parijs. In 2003 werd hij lid van de UMP, de partij van Chirac, Villepin en Sarkozy. 'Uit overtuiging, maar ook om een netwerk op te bouwen', vertelt hij nu. Binnen een jaar gaf hij het op, toen bleek dat het 'niets opleverde'. Sinds hij eind 2004 weer werkloos werd, heeft hij naar eigen zeggen 35 gesprekken gevoerd. Een keer werkte hij veertien dagen bij een bedrijf 'maar ik was totaal niet gemotiveerd. Dat was niets voor mij'. Hij is niet te spreken over de begeleiding die hij krijgt bij het arbeidsbureau. 'Dat stuurt mij naar werkgevers die niks met mijn cv kunnen. En ze komen nooit met werk dat ik interessant vind.'

Dat nieuwkomers op de arbeidsmarkt beginnen met tijdelijk werk is niet bijzonder in Europa. Maar het wordt in Frankrijk wel meer dan elders als een probleem gezien. Dat komt doordat in Frankrijk tijdelijke contracten minder vaak dan elders leiden tot vaste banen, schrijven de sociologen Alain Lefebvre en Dominique Méda in een deze maand verschenen boek met de provocerend bedoelde titel Faut-il brûler le modèle social Français? (Moet het Franse sociale model op de brandstapel?)

Hun antwoord is eerder conventioneel dan provocerend: het Franse model moet aangepast worden naar voorbeeld van de Scandinavische landen, waar sociale bescherming en flexibiliteit aan elkaar gekoppeld worden. Het Franse sociale model is inefficiënt. Wie al vast werk heeft wordt zozeer beschermd, dat werkgevers wel uitkijken met het toelaten van nieuwkomers. Zeventig procent van de banen die in 2003 in het midden- en kleinbedrijf - de grootste banenmotor - werden gecreëerd, waren gebaseerd op tijdelijke contracten. Niet meer dan 54 procent van de tijdelijke contracten leidt in drie jaar tot een vaste baan. Achttien procent van deze werknemers was een jaar later weer werkloos - tegen vier procent van de mensen met een vaste baan. Alleen in Italië en Ierland vinden van het ene jaar op het andere minder werklozen een baan. En de verstarring van het sociale model komt des te harder aan, doordat het Franse bedrijfsleven zich in deze jaren wel aanpaste aan de veranderende markteconomie. De overheid privatiseerde de staatsbedrijven, de grote beursgenoteerde ondernemingen maken recordwinsten, die zij grotendeels in het buitenland verdienen.

Volgens Sylvain Aiguesparses is de werkwijze van veel Franse bedrijven nog altijd star. Werknemers worden niet beoordeeld op hun prestaties, maar op hun diploma. 'Je moet meteen met het juiste etiket binnenkomen, dat is bepalend voor je loopbaan.' Hij dreigt er nu het slachtoffer van te worden dat hij dit niet heeft. Na zijn handelsschool ging hij begin jaren negentig zes jaar werken. Van de bank BNP-Paris naar een internet-bedrijf. Zijn gevarieerde ervaring maakt hem nu ongeschikt voor headhunters en bemiddelingsbureaus, krijgt hij te horen. 'Franse werkgevers vragen nooit naar mijn soort profiel.' Hij zou een soepeler ontslagrecht prima vinden 'Als het bij ons maar ging zoals in Engeland: je wordt misschien snel ontslagen, maar je vindt ook snel weer werk.' Het CPE is dus geen goede oplossing: het maakt alleen voor de werkgevers de manoeuvreerruimte wat groter.

Laurent N'Goala: 'Het CPE gaat ervan uit dat de werkgever je niet ontslaat voordat die twee jaar voorbij zijn. Dat vertrouwen is er in Frankrijk niet. Daarom gaan mensen de straat op.'

Verleiding

Villepin - en economen met hem - mogen dan aanvoeren dat werkgevers er geen belang bij hebben om goede werknemers na twee jaar te ontslaan, veel Fransen geloven dat niet. Waarom zou het met het CPE anders gaan dan nu met tijdelijke contracten? De ervaringsregel die zij hanteren is: een werkgever zal altijd in de verleiding komen je te ontslaan voordat hij aan je vast zit. Ook al volgt dat ontslag maar in de helft van de gevallen.

Toch concluderen zij hiermee hetzelfde als de economen. Frankrijk kent een scherpere scheiding dan omliggende landen tussen de mensen die 'binnen' en 'buiten' het systeem van sociale zekerheid vallen. 'Binnen' ben je als je een vaste baan hebt, bij voorkeur in de publieke sector. Dan kun je vanaf 50 jaar met pensioen tegen tachtig procent van je salaris. De vakbonden zijn de vertegenwoordigers van deze 'binnen'-wereld: daar zit het overgrote deel van hun leden. Hun campagne, stakingen en demonstraties staan volgens critici uitsluitend in het teken van behoud van verworven rechten. Buiten de publieke sector behoort Frankrijk juist tot de landen met de laagste organisatiegraad.

Voor nieuwkomers op de arbeidsmarkt is het moeilijk 'binnen' te komen. Het gebrek aan souplesse en vertrouwen treft iedereen. Dat geldt voor laagopgeleide jongeren meer dan voor hoogopgeleide, en voor immigranten of immigrantenkinderen uit de banlieue meer dan voor de 'Franse Fransen'. Wie geen vast werk heeft, kan bijvoorbeeld moeilijk een woning vinden. Jongeren blijven vaak tot 27, 28 jaar bij hun ouders wonen. Olivier Charenton heeft een appartement dat zijn ouders tien jaar geleden voor hem gekocht hebben. Laurent N'Goala had naar eigen zeggen op zijn 27ste geluk toen een, Noord-Afrikaanse, huiseigenaar voor hem koos 'omdat hij anders nooit een huis had gevonden'. Isabel Mosquera zocht aanvankelijk in haar eentje een huis om met haar vriend samen te wonen. Ze zouden geen kans hebben als hij mee kwam, want hij heette Mustapha. 'Later hebben we gezegd: we wachten gewoon tot we iemand tegenkomen die niet racistisch is.'

Tien jaar na hun entree op de arbeidsmarkt zijn de Chirac-kids al met al maar moeizaam verder gekomen in hun persoonlijke leven. Geen van de vier is al toe aan een gezinsleven. En Chirac is niet opgeschoten met zijn hervormingen. In de winkels liggen inderdaad stapels boeken over het verval van Frankrijk. Met titels als: De samenleving van de angst, De Staat die Frankrijk doodt, Het Franse ongeluk, of Chirac le Petit.

Genadeloos

Waarom lukt het de Franse regering niet hervormingen door te voeren? Eén mogelijk antwoord staat in La Tragédie du Président, een begin deze maand verschenen boek over de laatste twintig jaar Chirac. De auteur, journalist Franz-Olivier Giesbert, ex-Le Figaro en nu directeur van het liberale weekblad Le Point, publiceerde twintig jaar geleden een biografie van Chirac. Die werd destijds beschouwd als welwillend tegenover Chirac. Maar nu is hij genadeloos. In bijna vierhonderd pagina's tekent hij op hoe Chirac langzaam maar zeker elk vertrouwen in de kans op hervormingen verliest. Dat laat hij zien op basis van gesprekken met Chirac en vele prominenten in zijn omgeving. Chirac is volgens Giesbert de 'incarnatie van de Franse tragedie' geworden, de 'bewaker van het Franse sociale kerkhof'. Hij noemt hem een 'psychorigide die zichzelf er tenslotte van overtuigd heeft dat Frankrijk geen enkele grote hervorming zou verdragen.'

Met de demonstraties tegen het CPE is de cirkel van het tijdperk Chirac rond. Frankrijk staat nu al meer dan tien jaar aan de vooravond van hervormingen die er steeds maar niet van komen. 'Het Franse psychodrama is dat iedereen begrijpt hoe dringend de aanpassingen zijn maar dat de meeste mensen ze toch vrezen', schreef Alain Duhamel deze week in de linkse krant Libération. De historicus Jacques Marseille, die eerder naam maakte met goed verkopende boeken over de hoge staatsschuld en de breuk tussen het Frankrijk-dat-vooruit- gaat (het bedrijfsleven) en het Frankrijk-dat-remt (de publieke sector, de staat), heeft vorige week een nieuw boek gepubliceerd. Het gaat over 'le bon usage de la guerre civile en France'. Strekking: belangrijke hervormingen gingen in Frankrijk altijd gepaard met geweld. De opdracht aan komende politieke leiders is dat op een of andere manier te vermijden.

Olivier, Laurent, Isabel en Sylvain hebben niet mee gedemonstreerd tegen het CPE. Niet omdat ze ouder dan 26 jaar zijn. Ook niet omdat zij wél in het CPE geloven. Ze denken dat dit niet de strijd is waar het echt om gaat. Elk zeggen ze op hun eigen manier dat Frankrijk juist meer hervormingen nodig heeft - maar dan andere. 'Werkgelegenheid schep je niet per decreet', zegt Olivier. 'Het ontbreekt aan een visie waar hervorming toe moet leiden', vindt Sylvain. 'Twee jaar proeftijd is te lang. Maar de Fransen zouden wel wat minder weerspannig moeten zijn tegen hervormingen', meent Isabel. Ze zegt erbij dat ze geen aanhanger is van Villepin. Laurent: 'In andere landen, in Noord-Europa, gaan mensen om de tafel zitten als er een probleem is en zeggen ze elkaar eens de waarheid. Hier moet het altijd eerst mis gaan.'

    • René Moerland