Colijnsplaat - Wolphaartsdijk

Joyce Roodnat wandelt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week van Noord- naar Zuid-Beveland

Vandaag houd ik het meest van Zeeland. Lucht, licht, neveltje. Zielsmuziek. Langs de lijnen van het land kent het lopen hier geen einde. Dit wandelen is voor altijd. Geloof ik.

Tussen lange rechte sloten berusten weiden en akkers. De winter heeft het gras verbruind, dankzij de schapen krijgt het reliëf. Ze bewegen nauwelijks, ze zijn brokjes noga: zachtrozebruin, zachtcreme, zachtbeige. De akkergrond is van hier naar helemaal daar door de ploegen doorgestreept.

Achter de dijk naait de winterzon honderdduizenden smeedzilveren knopen op de korte Oosterscheldegolven. De zee lispelt luid (dat kan de zee namelijk) hoe content hij daarmee is. En boven alles uit zingt de wind op hoge toon een psalm.

Ik wandel over de dijk en zie het allebei: rechts dat uitbundige land, links dat hartstochtelijke water. Eerst voor me en dan achter me, want ik ga er onderdoor, is de Zeelandbrug: vijf kilometer witte elegantie van Fred Astaire-allure. Slanke bogen, afgepaste sprongen, strikte beheersing.

Het is eb. Met hun snavels, rode bajonetten, in de aanslag schieten de scholeksters over het drooggevallen slik. Dat fronst noest, met dikke rimpels.

Tijd om stil te staan en om te kijken. Achter het lege land schemeren de contouren van Colijnsplaat. Rode pannendaken, een windmolen met een witte romp. Dat de Colijnsplater binnenhaven droog en vergrast ligt rondom werkeloze meerpalen en een aftandse peilschaal, valt van hier niet meer te zien. Ik voel ze wel. Vanmorgen tilden een vader en zijn volwassen zoon een tafelvoetbalspel vol zolderstof over de wiebelklinkers van de hoofdstraat. Het leven gaat door, hoor.

Verder maar weer, met een stap over een in het gras van de dijk weggegroeid stangenhek, met een klim over een hek dat nog wel overeind staat en dan, via wat verzakte betonnen treden, de dijk af, langs boerderij Vredehof. Op de pilaren aan weerszijden van de toegangspoort staan twee bronzen pompoenen op ware grootte. Uit beide pompoenen kijkt een gezicht, rechts een vrouw met een pagekapsel, links een man met een bril, snor en baard. Ze wachten op het verbreken van een vloek.

We zien een katgrote rat, ongehaast paradeert hij over de akker. Hij kent het geheim, maar hij houdt het voor zichzelf.

Achter de Zandkreekdam, na een verfijnd woekerend elzenbos, is tussen twee sloten een sluisje. Het ouwe schatje is minimaal van omvang. Het kan bediend worden met een zwart ijzeren geval, iets verticaals met tanden.

Hoe heet dat toch?

Man: 'Een tandheugel.'

Daarmee verdient man de prijs voor het woord van de dag. 15 km. Kaarten 11, 10, 9 uit: 'Oosterscheldepad'. Uitg. Nivon, 2003. Geen openbaar vervoer tussen begin- en eindpunt. Tel. taxi 0113250188.