Caravans in plaats van koeien - dat is maar het komt wel geen mooi Europa,

Europa zou meer oog moeten hebben voor diversiteit. Nu dreigt gelijkschakeling, met oersaaie productiebossen en monotone landschappen als resultaat. Allemaal even rijk is een gevaarlijke illusie. Rijkdom is meer dan alleen inkomen, banen, banen en nog eens banen.

Verschillen tussen landstreken zijn voor velen in Europa een gegeven, niet echt iets om je druk over te maken. Tot zo'n honderd jaar geleden leverde de landbouw, in combinatie met het klimaat en de bodem, landstreken op met een grote regionale diversiteit. Denk maar aan de terpen in Friesland, de polders in Holland en het kleinschalige kampenlandschap in Brabant. Maar moderne landbouw en een divers landschap gaan al decennia niet goed meer samen. Dit wordt nog erger wanneer het Europese landbouwbeleid zal worden geliberaliseerd en boeren gedwongen worden tot concurrentie op de wereldmarkt. In Nederland zullen steeds grotere kassen hun licht onder op de wolken laten schijnen, zodat het nooit meer echt donker wordt. Dieren die het land stofferen worden schaars. Niet alleen valt er straks geen kip meer te zien. Ook de koe verdwijnt uit het weiland of is alleen nog maar te bezichtigen te midden van boerengolf spelende stedelingen. Steden zullen omgeven worden door paardenweitjes, kunstig afgebakend met witte hekjes en opschietende coniferen. Menig boer, naarstig op zoek naar nieuwe bestaansbronnen, zal caravans gaan 'telen'.

Ook elders, waar landschappen opener en ruimer zijn, staat het nodige te gebeuren. Zo maken schapen op de heuvels van de Britse eilanden plaats voor grootschalige productiebossen. De akkerbouwers in Noord-Frankrijk en op de voormalige kolchozen in Midden-Europa hebben aan honderden hectares graan per bedrijf niet genoeg. De inrichting van het landschap wordt navenant aangepast om de machinerie ruim baan te geven. Natuurlijk, de Europese cultuurlandschappen zijn voortdurend veranderd. Waar nu de Britse schapen in open landschappen rondlopen, hebben ooit oerbossen gestaan. Maar de veranderingen gaan steeds sneller en het landbouwbeleid van de Europese Unie leidt tot een grootschalige nivellering van het Europese landschap. Daarmee worden Europese kroonjuwelen verkwanseld. Bijstelling van het landbouwbeleid is gaande, maar de invoering van een Europese beloning voor landschapsbeheer verloopt veel te traag. Van elke Europese euro gaat 37 cent op aan klassiek landbouwbeleid. Daar bovenop gaat nog eens 6 cent naar rurale ontwikkeling, wat op zich een verbetering is ten opzichte van vroeger, toen de rurale pot helemaal niet bestond.

Het grootste deel van dit geld wordt echter niet in het landschap geïnvesteerd, maar komt ook weer ten goede aan de agrarische sector. Er gaat dus nog steeds veel geld naar de landbouw, onverantwoord veel. In Europa werkt namelijk maar een klein percentage van de beroepsbevolking in deze sector. In de EU van voor de uitbreiding (de 'EU 15') rond de vijf procent. Dus waarom zo veel geld verslingeren aan een sector die zorgt voor landschappelijke en ecologische vervlakking?

Niet alleen het EU-landbouwbeleid is een bedreiging van diversiteit. Brussel voert ook regionaal beleid. Het aantal projecten dat mede met Europees geld tot stand is gekomen, is zo langzamerhand schier eindeloos geworden. Nog steeds wordt zeer veel geld gestoken in 'harde' projecten: de aanleg van infrastructuur en bedrijventerreinen. Dit gaat vooral op voor de zuidelijke en (nieuwe) oostelijke lidstaten, maar ook het rijke Nederland heeft geld gekregen. Door heel het land, en zeker niet alleen in Flevoland waar de laatste jaren veel EU-geld naartoe gegaan is, zijn borden te vinden met daarop de Europese vlag en de mededeling 'Dit project wordt mede mogelijk gemaakt dankzij subsidie van de Europese Unie'.

Europees regionaal beleid is gericht op het bereiken van een welvaartspeil in Europa dat overal min of meer vergelijkbaar is. Vandaag de dag geldt bovendien dat de concurrentiekracht van de Europese Unie vergroot moet worden. Er valt veel voor én tegen dit streven in te brengen. Wij willen het vooral hebben over diversiteit als rijkdom. In het najagen van economische gelijkheid binnen de EU wordt veel op het spel gezet. Is het werkelijk nodig dat overal dezelfde dichtheid aan autowegen gerealiseerd wordt? Is het noodzakelijk dat de bedrijventerreinen gelegen aan de invalswegen van steden in de nieuwe lidstaten er net zo akelig uitzien als in Frankrijk? Dit type projecten, uitgevoerd onder de vlag van regionaal beleid, zijn vaak net zo funest voor landschappelijke kwaliteit als de schaalvergroting in de landbouw. Ook hierdoor worden de kroonjuwelen van de Europese identiteit verkwanseld.

De term kroonjuweel is meer dan een metafoor. Ruimtelijke diversiteit kan geld opleveren. Toerisme, recreatie en mooi wonen, bijvoorbeeld in stedelijke goudkusten, zijn allemaal afhankelijk van mooie landschappen. Dit zijn vaak juist de gebieden waar de 'moderne' landbouw weinig rendabel is, bijvoorbeeld omdat de bodem te drassig is of de kavels te klein zijn voor de landbouwmachines. Hier zouden agrariërs ondersteund kunnen worden. Niet om hun productie op peil te houden, maar omdat boeren kunnen zorgen voor een aantrekkelijk, divers landschap. De economische spin-off zit dan niet in de landbouw zelf, maar ligt elders.

Economische groei gecombineerd met sociaal-economische gelijkheid is naar ons idee niet alles waar het in de EU om zou moeten draaien. Ook een goede ecologie en een rijke cultuur horen deel te zijn van het Europese project. We zijn inmiddels aardig op weg als het gaat om de realisering van oude Europese idealen, zoals het bewaren van vrede en veiligheid en het te boven komen van de politieke tweedeling op het continent. De EU is met de toetreding van de nieuwe landen steeds heterogener geworden en dit zal nog meer het geval zijn wanneer Roemenië en Bulgarije toetreden. Het is een illusie om in al deze uiteenlopende territoria dezelfde prijssteun voor landbouwproducten, een soortgelijke dichtheid van infrastructuur en een vergelijkbaar vestigingsklimaat te willen realiseren. Dat loopt uit op vernietiging van gewaardeerde omgevingen. Daarentegen kunnen het veiligstellen van diversiteit, het betrekken van de burger bij het Europese integratieproces en de samenwerking tussen regio's idealen van nieuwe generaties worden. Hoe dit vorm te geven?

Na lang gesteggel zijn de regeringen van de Europese lidstaten het eind vorig jaar eindelijk eens geworden over de begroting van de Europese Unie voor de periode 2007-2013. In de publiciteit daarover voerden de ruzies over de beperking van de landbouwuitgaven de boventoon. Het regionaal beleid, de tweede grote uitgavenpost van de EU, wentelde zich in onschuld. Een kleine uitgavenpost trok bij de ontstane commotie nauwelijks de aandacht en is intussen geruisloos gehalveerd. Ten onrechte, volgens ons, omdat het gaat om een geldstroom die de EU dichter bij het lokale en het regionale niveau kan brengen, dichter bij de burger dus. We hebben het hier over territoriale samenwerking tussen gebieden aan verschillende kanten van een landsgrens. Dit kan samenwerking zijn met de naaste buren, maar ook samenwerking met 'buren' honderden kilometers verderop. Vaak gaat het om samenwerking tussen besturen en zijn het dus vooral ambtenaren en bestuurders die de handen ineenslaan. Maar niet zelden zijn er ook 'gewone' burgers bij betrokken. We beschrijven hier een voorbeeld van dit soort 'interregionale' uitwisseling. Een bus vol burgers, boeren, belangenbehartigers en politici uit het Randstedelijke Groene Hart zet zich op weg naar het Regionale Natuurpark Vogezen in het noordoosten van Frankrijk. In drie dagen vindt een uitzonderlijke uitwisseling van ervaringen plaats met de Franse overburen. Uiteraard wordt het bestuur van het regionale park bezocht. Ambtelijke en niet-ambtelijke natuur- en landschapsbeschermers gaan met elkaar in discussie over de vraag hoe overheden omgaan met de bescherming van natuur en met de uitvoering van Europese 'wetten'. De plaatselijke markt voor streekeigen producten wordt bezocht. Hollandse zelfkazende boeren en boerinnen bekloppen en beproeven de eigengemaakte kazen van hun Franse collega's. Er wordt druk gesproken over de Europese regels over hygiëne. Een Nederlandse burgemeester zit bij het diner naast een Franse collega en spreekt over de schaalvergroting in het lokaal bestuur en zoiets praktisch als de gescheiden inzameling van afval in kleine kernen. In de bus op de terugweg wordt de balans opgemaakt. Als het gaat om het te gelde maken van het landschap liggen de Fransen straatlengtes voor op de Nederlanders. De praktijk in de Vogezen geeft dit aan. Maar er zijn nog tal van andere voorbeelden te geven: terwijl in Nederland de kaart bijna volledig worden gezet op de productie van bulkvoedsel, maken de Fransen goede sier met hun vele appellations controlées, per definitie een keurmerk dat een relatie legt tussen een product en een streek.

Het bezoek vanuit Nederland aan de Franse Vogezen is maar een klein voorbeeld van de wijze waarop diversiteit in Europa beleefd kan worden. De uitwisseling maakt deel uit van een Europees programma voor regionale samenwerking. In dit geval gaat het om een project voor duurzaam beheer van landelijke gebieden in zes regio's in noordwest-Europa. Het gaat hier om een heel ander gezicht van Europese politiek dan die van de megaprojecten van wegverbindingen of bedrijfsterreinen. Zo'n kleinschalig uitwisselingsproject maakt het mogelijk om aan den lijve te ondervinden hoe divers en hoe inspirerend 'Europa' kan zijn.

Abstracties uit de ambtelijke kokers van Brussel, zoals 'de verbetering van het regionale concurrentievermogen' gaan er nog steeds van uit dat aanjagen van de regionale concurrentie automatisch banen, banen en nog eens banen oplevert. Soms lukt dat, soms niet. Maar er moet wel altijd een prijs betaald worden. Het opkrikken van alle landstreken totdat een vermeend Europees gemiddelde bereikt is, leidt tot het wegpoetsen van identiteiten, tot gezichtsverlies en ontheemding. Diversiteit - en niet gelijkheid - zou veel meer de doelstelling van het Europese regionaal beleid en het landbouwbeleid moeten zijn. Uitwisseling van ervaringen tussen landen en regio's is broodnodig, maar geen doel op zich. 'Gluren bij de overburen' kan de horizon verbreden en kokervisies tegengaan. Regio's kunnen broedplaatsen worden voor ruimtelijke experimenten, op basis van eigen kenmerken en kwaliteiten.

Een mooi voorbeeld is de herontwikkeling van het Emscherpark, net over de grens met Duitsland; een project dat inmiddels busladingen geïnteresseerden heeft aangetrokken, ook uit Nederland. Het is een project gericht op de sanering van terreinen waar ooit zware industrie stond. Ook de gehele waterhuishouding in dit zwaar vervuilde gebied moest worden opgeknapt. Via een zorgvuldig en creatief ontwerpproces is het gebied aan de bewoners teruggegeven, zonder de historische erfenis en de eigen identiteit van de 'industriecultuur' weg te poetsen. Lang niet alle kolenmijnen zijn, zoals in Zuid-Limburg, afgebroken en van de aardbodem verdwenen. Integendeel, oude cokesovens en mijngebouwen hebben een bestemming in de sfeer van cultuur en leisure gekregen. Industriële installaties fungeren als klimwanden, er zijn tentoonstellingen en muziekuitvoeringen, cafés en restaurants zijn in de fabrieken van weleer neergestreken. Het kenmerk van dit project is dat de nadruk niet lag op grote bouwprojecten en traditionele economische stimulering, maar op het ontwikkelen van een vernieuwende visie op de toekomst, waarin cultuur en leefbaarheid centraal hebben gestaan.

De strategie was en is gericht op het stimuleren en begeleiden van initiatieven van onderop, een soort van acupunctuur dus. Ook Emscherpark doet aan regionale samenwerking en uitwisseling. Centraal staat het uitwisselen van goede praktijken over de sanering van vervuilde rivieren. Het is mede hierdoor dat deze vorm van regionaal beleid grote bekendheid heeft gekregen, tot in de nieuwe lidstaten.

Nationale en Europese beleidsmakers streven al jaren naar gelijkschakeling van regio's en gebieden. Gelukkig zijn ze daar niet (volledig) in geslaagd. Europa is, ondanks alle nivellering, nog steeds een zeer divers deel van de wereld.

De hedendaagse toerist weet dat te waarderen. Nu nog de Europese en nationale bestuurders.

Respectievelijk zelfstandig landschapsarchitect te Arnhem; regionaal planner bij Alterra, Wageningen Universiteit Research en planoloog bij Onderzoeksinstituut OTB, Technische Universiteit Delft