Bij het grof vuil

Dezer dagen buigt de Tweede Kamer zich over een wetsvoorstel 'inzake vervanging van de basisvorming door een nieuwe regeling voor de onderbouw'. De basisvorming ging uit van de absurde veronderstelling dat alle leerlingen konden voldoen aan dezelfde eisen met als gevolg dat scholen die nooit serieus hebben genomen. Vervolgens heeft de overheid de wettelijke eisen, geformuleerd als 'kerndoelen', steeds aangepast aan wat de scholen deden. De facto is de basisvorming al lang afgeschaft, sterker nog: hij is nooit ingevoerd.

Het was logisch geweest niet alleen de term basisvorming aan de wilgen te hangen maar ook het verbale gegoochel met kerndoelen te beëindigen. Maar een dergelijke manmoedige ingreep is politici, ambtenaren en fabrikanten van kerndoelen niet gegeven. Dus hebben zij de kerndoelen voor de zoveelste keer 'aangepast'.

Die aanpassing kent twee varianten. De eerste houdt in dat gekozen wordt voor doelen die zo vanzelfsprekend zijn dat ze volstrekt overbodig zijn. Een voorbeeld uit het vak Nederlands: 'De leerling leert zich mondeling en schriftelijk begrijpelijk uit te drukken.' Of bij gymnastiek: 'De leerling leert door middel van uitdagende bewegingssituaties zijn bewegingsrepertoire uit te breiden.' Ergerlijker open deuren vallen nauwelijks te bedenken. Bij de andere kerndoelenvariant worden doelen geformuleerd waar iedereen het zijne bij kan denken, zoals: 'De leerling leert dat mensen, dieren en planten in wisselwerking staan met elkaar en hun omgeving (milieu), en dat technologische en natuurwetenschappelijke toepassingen de duurzame kwaliteit daarvan zowel positief als negatief kunnen beïnvloeden.' Of, ook niet misselijk: 'De leerling leert over zorg en leert zorgen voor zichzelf, anderen en zijn omgeving, en hoe hij de veiligheid van zichzelf en anderen in verschillende leefsituaties (wonen, leren, werken, uitgaan, verkeer) positief kan beïnvloeden.'

Naast dit kerndoelengeneuzel bevat de nieuwe wet ook een heet hangijzer, dat voor leraren reden zou moeten zijn om in opstand te komen. Scholen mogen verschillende vakken samenvoegen tot leergebieden, die verzorgd worden door kernteams. Het logische gevolg hiervan is dat leraren les gaan geven in vakken waar ze niet voor zijn opgeleid. Minister van der Hoeven nu wil dat de besturen bepalen hoe dit in de praktijk geregeld gaat worden.

De bestuurlijke autonomie heeft er op alle niveaus van ons onderwijs toe geleid dat vakinhoudelijke overwegingen een steeds ondergeschiktere rol zijn gaan spelen in het beleid. Vandaar de steeds vaker gehoorde wens: geef het onderwijs terug aan de leraren. Vanuit de Tweede Kamer is er dan ook onder aanvoering van Lambrechts (D66) en Vergeer (SP) veel verzet tegen wat Van der Hoeven wil. Lambrechts: Wij zeggen steeds tegen elkaar dat die leraren zo belangrijk zijn (...) dat zij eigenaar moeten worden van hun vak en de vakontwikkeling. Toch slagen wij er nooit in hen ook feitelijk die positie te geven als het op formele wetgeving aankomt. Het is dan zwak om het uitsluitend aan het goede werkgeverschap van het bevoegd gezag over te laten.' Maar daar wil Van der Hoeven niet van weten. Natuurlijk zijn er een aantal zaken die je via wetgeving moet regelen, maar wat mij betreft hoort dit er niet bij.' Een betere zetbaas dan deze minister hadden de besturen zich niet kunnen wensen.

Als deze wet wordt aangenomen is de eis van vakdeskundigheid voor leraren ook formeel bij het grof vuil gezet.

lgm.prick@worldonline.nl