“We blijven angstig en verlegen'

John Banville groeide op in een niet-militaristische, fascistische staat: Ierland. De winnaar van de Booker Prize over de tragiek van de mens en zijn eigen ambitie: “ Ik streef ernaar mijn proza zo te maken dat het poëzie wordt.“

De Ierse schrijver John Banville heeft iets ongrijpbaars. Steeds als je denkt hem op het spoor te zijn, schudt hij je weer van zich af en blijf je in verwarring achter. Het lijkt welhaast een tweede natuur van hem om anderen op het verkeerde been te zetten.

In zijn boeken, maar ook in het echte leven. Op zijn voorstel ontmoeten we elkaar in een Italiaanse eet- en drinkgelegenheid in het hart van Dublin. Net wanneer ik begin te denken dat Banville de afspraak moet zijn vergeten, treedt er een wat gedrongen gestalte binnen in een donkere broek, een lang loshangend zwart overhemd, zonder jas. ,,Dat vreesde ik al“, zegt hij bij wijze van introductie. ,,Ik was vergeten te zeggen dat ze twee vestigingen in dezelfde straat hebben. Ik zat verderop al op jou te wachten. Mijn excuses, kom mee.''

Voldaan installeert de winnaar van de laatste aflevering van de Booker Prize zich even later aan een tafeltje voor een kast vol Italiaanse wijnflessen. “Ik kom hier graag'', zegt hij met zijn doordringende, ietwat nasale stem. “De zaak doet me denken aan een 18de eeuwse enoteca in Turijn, waar Nietzsche graag kwam. Zoals je misschien weet is hij in Turijn krankzinnig geworden.''

Banville strooit graag met citaten en anekdotes uit de Europese cultuurgeschiedenis. Hij heeft ook verscheidene romans op zijn naam staan waarin Europese geleerden als Nicolaus Copernicus en Johannes Kepler centraal staan, en schreef een eigen versie van Heinrich von Kleists klucht Der zerbrochene Krug.

Ook in zijn boek The Sea, waarvoor hij in november de Booker Prize kreeg, ontbreken zulke verwijzingen niet. Na een korte uiteenzetting over een psychologische krachtmeting met zijn dochter voegt de ik-figuur zijn lezers bij voorbeeld plompverloren toe: “Lees Maistre over het voeren van oorlogen.“ Dat slechts weinigen weten wie Joseph de Maistre (1753-1821) was en wat hij had te vertellen, laat Banville volmaakt onverschillig.

Broekzak

Toevallig is de verwijzing naar de Franse conservatieve filosoof niet. Maistre was een door en door katholieke denker, die hamerde op het cruciale belang van gezag. Aan de paus wilde hij het laatste woord geven in alle politieke en religieuze zaken. Het is een intellectueel milieu, dat Banville kent als zijn broekzak. Weliswaar is hij zelf allang van zijn geloof gevallen, maar zoals veel Ieren van zijn generatie is hij blijvend door zijn katholieke achtergrond getekend.

Banville: “Ik ben 60 jaar oud en heb onvermijdelijk een sombere kijk op dit land, want ik ben hier opgegroeid toen het op zijn ergst was.“ Met bittere ironie voegt hij er aan toe: “Ik heb het gevoel dat als het katholicisme niet had bestaan, wij het uitgevonden zouden hebben. Want het is de perfecte godsdienst voor ons. Het is repressief, het ontkent het leven, is tegen de vrouw gericht en vergeeft je je zonden aan het einde van de week.“

In de loop van het gesprek laat hij nog geregeld wrange verwijzingen naar de kerk vallen, die erop duiden dat hij zijn ervaringen nog niet geheel verwerkt heeft. ,,Ik vind het heel fijn dat mijn kinderen geen last van schaamte hebben“, zegt hij op een gegeven moment. “Schaamte was de overheersende kracht in mijn leven, toen ik opgroeide.“

Banville zelf groeide op in een tijd, waarin de katholieke kerk oppermachtig was. Turend over zijn bril legt de schrijver uit dat de stichter van het onafhankelijke Ierland, Eamon de Valera, in de jaren dertig samen met de toenmalige aartsbisschop van Dublin een constitutie in elkaar timmerde. “Met z'n tweeën regelden ze de zaken en maakten van Ierland een niet-militaristische, fascistische staat, afgesneden van de wereld.“

Begin jaren negentig kwam daar abrupt een einde aan. Toen bleek de bisschop van Galway, Eamonn Casey, een kind te hebben verwekt bij een vriendin. “Dat veranderde de zaken bijna van de ene op de andere dag“, zegt Banville. “Ik was er een groot voorstander van om een groot standbeeld voor deze bisschop op te richten, met een baby in zijn ene arm en de andere rond die vrouw geslagen. Hij was de grote bevrijder.“

Met verbazing volgde de schrijver wat er daarna gebeurde in zijn land. “Bijna elk land met een beetje moreel gevoel zou na de ineenstorting van de kerk een traumatische periode hebben doorgemaakt. Maar wat deden wij? We zeiden: de priesters zijn van hun voetstuk gevallen, laten we lekker geld gaan verdienen. We zijn nu een van de rijkste landen ter wereld. We exporteren niet alleen heel veel computer-software maar ook Viagra.“ Die laatste zin laat hij gepaard gaan van een korte, stotende lach.

Tweeling

In The Sea spelen herinneringen aan de jeugd van de ik-figuur een hoofdrol, al is de katholieke kerk opvallend afwezig in het boek. Het vertelt in vaak prachtige volzinnen hoe een kunsthistoricus, die net zijn vrouw aan kanker heeft verloren, terugreist naar een Iers oord aan de zee. Daar bracht hij in zijn jeugd een gedenkwaardige vakantie door. Hij trok er steeds op uit met een familie van beduidend hogere afkomst dan hijzelf. Fraai beschrijft Banville de ontluikende erotische gevoelens die de ik-figuur koesterde voor de moeder van zijn speelkameraden, een tweelingbroer en -zus. Ook met het tweelingmeisje ontwikkelt zich een onvoldragen liefdesaffaire. Het geheel neemt een dramatische wending als de tweeling door de zee wordt verzwolgen.

Zoals meer boeken van Banville vergt The Sea het nodige doorzettingsvermogen. Banville is niet de man van het meeslepende verhaal of van zorgvuldig uitgewerkte persoonlijkheden. Zelf noemt hij zich ook nadrukkelijk geen romanschrijver. Maar in het voorbijgaan roert Banville tal van grote menselijke thema's aan. Liefde, dood, het menselijk tekort in de onderlinge communicatie, allemaal komen ze aan bod.

Banville: ,,Een vriend van me zegt dat je verzen hebt, proza en poëzie. Poëzie kun je zowel in verzen als in proza hebben. Ik streef ernaar mijn proza zo te maken dat het poëzie wordt. Veel recensenten zien dat niet. Ze beschouwen mijn boeken als mislukte pogingen om romans te schrijven.''

Als ik opwerp dat ik het boek met al zijn onvervulde verwachtingen, dikwijls in de dood eindigend, tragisch vond, valt de schrijver me spottend in de rede. “Totaal anders dan het leven.“ Weer die stotende lach. “Kijk om je heen. Als we een volmaakt besef hadden van de wereld en hoe die in elkaar zit, zouden we het niet langer dan vijf seconden uithouden. Het zou ons einde betekenen. De wereld is zo verschrikkelijk.“

Ziet u het als uw taak de mensen te vertellen hoe afschuwelijk het allemaal is?

,,Nee hoor, mijn wens is juist om mensen te verrukken, om te laten zien hoe prachtig de dingen ook kunnen zijn. Wat is er prachtiger dan het leven? Kijk ons hier zitten in dit heerlijke café, kijk naar die vrouwen die daar zitten te praten en te drinken. Het is geweldig. Alle kunst is gericht op vreugde. Iemand als Samuel Beckett schrijft prachtig over de natuur, maar verheelt tegelijkertijd niet dat die verschrikkelijk is. Een vriend vertelde me dat een kat speelt met de muizen om meer trek te krijgen. Is de natuur niet prachtig?'

Ziet u de mens niet als iets anders dan dieren?

,,Nee, afgezien van het feit dat wij een heel hoog ontwikkeld bewustzijn hebben. Wij hebben taal ontwikkeld en een bewustzijn van onszelf. Wij leven ook niet in een permanente staat van vrees, zoals de meeste dieren. Dat is een groot voorrecht. Maar we zijn ons wel steeds bewust van de onvermijdelijkheid van de dood. Dat maakt ons tot tragische wezens.“

U poneert in uw boeken vaak iets maar neemt het meteen daarna weer terug. Het geeft uw werk iets ongrijpbaars. Waarom doet u dat?

,,Volgens mij is het leven zo. We pretenderen de hele tijd zo zeker van onszelf te zijn maar in werkelijkheid zijn we dat helemaal niet. We houden die gevoelens onderhuids. We blijven verlegen en we denken angstig: oh God, als ze er maar niet achter komen wie ik werkelijk ben.“

Elementen die u ook in uw eigen werk probeert te verwerken?

,,Dat hoop ik inderdaad. Niets is helemaal grappig of tragisch. Daarom heb ik ook moeite met de schrijvers van de grote Griekse tragedies. Hun werk is van hoge kwaliteit maar het is te monotoon, altijd weer die tragische ondertoon. Zo leven de mensen niet. Zelfs wanneer er iets tragisch gebeurt, zit daar altijd wel iets heel grappigs aan.''

Probeert u in uw werk dan het hele leven te bevatten in al zijn aspecten?

,,Wat kun je anders doen? Ik probeer de lezer een glimp te geven van hoe het leven echt is. Niet wat iemand vandaag of gisteren deed maar het eeuwige leven.''

Dat is wel heel ambitieus.

,,Ik ben buitengewoon ambitieus. Ik beschouw mezelf als een absolute kunstenaar. De mensen hebben daarom wel eens kritiek op me. Ze zeggen: waarom noem je jezelf geen romanschrijver? Mijn soort roman is een kunstwerk. Het gaat mij niet om een verhaal of zoiets. Mijn boeken gaan niet ergens over, ze zijn iets. Het gaat om het totaal.“

Ik las dat u kort voor u de Booker Prize kreeg “The Sea' zelf als een slecht boek had omschreven.

,,Wat ik bedoelde is dat al mijn boeken slecht zijn. Naar mijn eigen maatstaven, wel te verstaan, want ik vind ze natuurlijk beter dan die van alle anderen. Wanneer je een boek af hebt, ben je altijd bezorgd of je het goed hebt gedaan. Kunstenaars zijn delicate schepsels, die makkelijk uit hun evenwicht worden gebracht. We zijn als mollen. We zitten drie jaar in het donker te schrijven en dan moeten we even knipperen met onze ogen als we weer boven de grond komen. Ik ken schrijvers die hun eigen werk geweldig vinden. Die wantrouw ik van ganser harte. Het is zoals Beckett al zei: probeer het opnieuw, misluk opnieuw en misluk de volgende keer beter.''

Hoe komt het dat een klein land als Ierland zoveel grote schrijvers heeft voortgebracht?

,,Het schrijven is inderdaad onze kracht. We zijn niet sterk in muziek of de plastische kunsten. Wij zijn een totaal op taal gebaseerde samenleving. Wij zijn geobsedeerd door het verhaal. In dit land kun je met bijna alles wegkomen. Je kunt welke misdaad dan ook plegen, zolang je maar een goed verhaal hebt. Ook toen bisschop Casey en oud-premier Charles Haughey dingen hadden gedaan die niet door de beugel konden, zeiden de mensen: vertel ons je verhaal. En wanneer iemand dan een verhaal heeft dat goed genoeg is, vergeven we hem alles.“

En dan moet Banville weg. Hij zet zijn hoed op, trekt een modieuze bruine jas aan, slaat een sjaal om zijn nek en pakt zijn rieten boodschappentas. Het verleent hem plotseling een soort Italiaanse zwierigheid. Wil de schrijver nog even poseren voor een foto? “Niet hierbinnen,“ zegt hij. “Dat vind ik te gênant.“ Hij doet het even later wél - vluchtig, in een donkere straat, voor de verlichte etalage van een kunsthandel. De foto blijkt bij thuiskomst veel te donker. Banville blijft ongrijpbaar.

De Nederlandse vertaling van “De zee' is verschenen bij Atlas, 223 blz. 19,90