Vinkenoog - Faverey 3-2

De wetenschapper Hugo Brems schreef een literatuur-geschiedenis, maar ook een boekgeschiedenis en een leesgeschiedenis. Maar zijn veelzijdigheid en samenhang wel te verzoenen?

Neerlandici zijn net boeren. Ze hebben altijd wat te klagen. Vooral literatuurgeschiedenissen zijn in hun ogen nooit goed. Eerst was er Knuvelders Handboek, dat was te subjectief. Toen was er Anbeeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, die was te selectief. Daarna kwam Schenkelvelds Nederlandse literatuur. Een geschiedenis uit 1993, die was te postmodern. Maar nu is er dan eindelijk een literatuurgeschiedenis van de afgelopen zestig jaar waar echt álles in staat, van Aafjes tot Zwaal, in een alomvattend verhaal van één auteur.

Er valt dus niets meer te zeuren, zou je denken. Bijna 800 pagina's telt Altijd weer vogels die nesten beginnen, en dat voor een periode van maar zestig jaar (1945- 2005). Hugo Brems, de Leuvense hoogleraar die dit laatste deel schreef van de achtdelige Geschiedenis van de Nederlandse literatuur, had zo veel ruimte dat hij nauwelijks heeft hoeven schiften. Ieder obscuur Vlaams tijdschriftje noemt hij. Iedere vergeten Hollandse schrijver die ooit successen boekte. En dat niet alleen: ook ieder festival van belang, iedere uitgeverij, ieder subsidiefonds.

Hij heeft, zo zegt hij in de inleiding, “veelzijdigheid' willen verzoenen met “samenhang'. Vanuit de gedachte dat de hele Nederlandse literatuur één geheel is, brengt hij de meest uiteenlopende zaken onder in een chronologisch verhaal: Vlaanderen, Nederlands-Indië, jeugdliteratuur, tijdschriften, festivals, dagboeken, digitale literatuur: álles hoort erbij. Die radicale gelijkheid der delen maakt Altijd weer vogels die nesten beginnen veelomvattend, boeiend en vol.

Over hoe een literatuurgeschiedenis eruit moet zien, wordt al gediscussieerd sinds de 19de eeuw. Daarbij heeft het steeds gedraaid om de volgende keuze: zet je de tekst centraal, de auteur, de opeenvolgende literatuuropvattingen van generaties schrijvers, of de lezer?

Lusthof

Brems heeft ervoor gekozen niet te kiezen. Op die manier heeft hij recht willen doen aan vrijwel iedere literatuurbenadering van de afgelopen decennia: post-koloniaal, “gendered', institutioneel en deconstructief. Maar de nadruk ligt vooral, zoals de neerlandistieke mode het sinds enkele decennia voorschrijft, op de rol van literatuur in de maatschappij. Dat idee is overgewaaid vanuit de historische letterkunde, waar men zich begon te realiseren dat je Vondel pas kan plaatsen wanneer je weet wie zijn leespubliek was en wat die lezers van literatuur verlangden. Literatuur is in die visie niet meer louter een geïsoleerd lusthof voor de elite, maar een dynamisch verschijnsel dat afhankelijk is van culturele, technologische, economische en politieke invloeden. Of het nu gaat om de Koude Oorlog, Provo of de malaise in de Vlaamse uitgeverswereld: Brems bespreekt de consequenties ervan voor de literatuurproductie én -consumptie. Literatuurgeschiedenis is hier onlosmakelijk verbonden met geschiedenis tout court. Tegelijk neemt Brems - gelukkig - geen afstand van de tekst zelf. Zijn boek wil zo een overzicht zijn van alles wat er geschreven is én van de wijze waarop die teksten vervolgens functioneerden in een veranderende samenleving. Dat levert een geweldige hoeveelheid goed geordende informatie op, en broodnodig lesmateriaal voor de aankomende generaties studenten.

Wat dat betreft zijn de nieuwe jonge hoogleraren Moderne Letterkunde op hun wenken bediend. Deze drie, Thomas Vaessens, Geert Buelens en Jos Joosten, riepen de afgelopen maanden in de media om meer aandacht voor de “zappende' student en diens referentiekader. Ze schreven onder meer, in De Volkskrant: “Het gaat er niet om dat wij onze studenten onze literaire waarden en gewoonten bijbrengen, het gaat erom dat ze de veranderlijkheid en werking van zulke conventies leren bestuderen [...] Wij willen jonge lezers inzicht verschaffen in de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur en cultuur. We willen laten zien hoe literatuur vroeger functioneerde en vandaag; we willen onderzoeken wat oude literatuur vandaag kan betekenen en hoe hedendaagse cultuuruitingen daarbij kunnen helpen'. Het zou zó uit de inleiding van Brems' boek kunnen komen: nieuwe genres als podium-poëzie, internet-tijdschriften of digitale poëzie krijgen bij hem ook relatief veel aandacht.

Brems' verlangen naar volledigheid heeft echter nadelen. Anbeek zei het al in zijn literatuurgeschiedenis uit 1990: “Het streven naar volledigheid is de grootste doodzonde voor elke handboekschrijver'. Er zal altijd veel dierbaars moeten sneuvelen om een overzichtelijk geheel te krijgen. Het lijkt of Brems dat niet heeft willen accepteren, en het kaf niet van het koren heeft willen scheiden. Sterker: het kaf heeft vaak meer waarde dan het koren. Zo wordt Deelder twee keer zo vaak genoemd als Christine D'Haen. De Zestigers krijgen meer ruimte dan de meestal hoger ingeschatte Vijftigers. Verder komt Vinkenoog vaker voor dan Faverey, en lijkt Grunberg niet groter dan Giphart.

Natuurlijk wil niemand terug naar de subjectiviteit van het oude Handboek van Knuvelder, waarin bijvoorbeeld het ontluisterende proza van Reve, Hermans en Blaman werd afgedaan als “de drang woorden te laten afdrukken die men vroeger liever op schuttingen of de wanden van urinoirs kalkte'. Ook onze waarde-oordelen van nu zullen over een paar jaar zelf weer geschiedenis zijn. Maar wie Brems leest, zal nauwelijks kunnen uitmaken wat literaire waarde heeft en wat niet, en dat is wat je óók van een moderne literatuurgeschiedenis mag verlangen.

Gevierendeeld

Brems had natuurlijk het probleem van zijn heterogene doelgroep. Enerzijds moest hij het publiek van plezierlezers proberen te behagen, dat juist in het modernste deel van zo'n geschiedenis geïnteresseerd zal zijn. Anderzijds bestaat zijn doelgroep uit jonge studenten voor wie gebeurtenissen uit de jaren tachtig al echt historisch zijn en die dus veel informatie nodig hebben over de maatschappij waarin de teksten verschenen. Er zijn de vakgenoten die in dit boek de neerslag en synthese willen zien van al hun werk van de afgelopen decennia. En daarboven uit torent nog de opdrachtgever, de Taalunie, die zal hebben verlangd dat Vlaanderen, Suriname en alle andere Nederlandstalige literatuur deel van het geheel uit zouden maken. Aldus gevierendeeld heeft Brems zich nog ongelofelijk knap van zijn taak gekweten.

Maar zelfs als je al die doelgroepen in acht neemt, kan je bij een paar van Brems' beslissingen vraagtekens zetten. Wat moeten we bijvoorbeeld met de opsommerige passages waarin tijdschriftjes aan de orde komen als Hoos, Sub-vers, of Mep? En wat te denken van J.C. van Schagen of L.F.Rosen - zullen die werkelijk van enige betekenis blijken in de loop van de literaire geschiedenis? Een paar van alle obscure blaadjes en zondagsdichters hadden plaats kunnen maken voor meer aandacht voor buitenlandse schrijvers die onmiskenbare invloed hebben gehad op onze literatuur, zoals Borges of Pessoa. Nu horen we niets over Becketts roman Molloy, maar wel wie er in België verantwoordelijk is voor het milieubeleid, of over de populariteit van Donna Tartt (die bij Brems “Tarth' heet).

Brems verantwoordt zich zelden expliciet voor dergelijke keuzes. Hij vermijdt zelfs het woord “ik' te gebruiken - de inleiding spreekt van een “wij' (of zou hij daarmee ook zijn achtkoppige “Raad van Advies' bedoelen?). Brems is op zijn dapperst als hij beweert dat er “misschien wel sprake kan zijn van een breukmoment'. Dat gebrek aan besluitvaardigheid wreekt zich zelfs in zijn eigen metaforen, bijvoorbeeld waar het gaat om de poëzie van de jaren tachtig: “Het beeld is dat van een dikke soep, een stoofpot of een deeg met krenten van diverse origine'. Een enkele metafoor had wel volstaan.

Oude mythen

Al tellend wordt duidelijk dat Brems wel degelijk een paar keuzes gedaan heeft. Dan valt op dat de neerlandistiek bij hem belangrijker is dan de essayistiek of de literaire kritiek (acht keer wordt een neerlandicus als Harry Bekkering geciteerd versus bijvoorbeeld één keer essayist Bas Heijne of drie keer recensent Arjan Peters). Toneel en Afrikaanse literatuur zijn zo goed als afwezig (ieder twee en een halve pagina), terwijl jeugdliteratuur ruimschoots aan bod komt.

Het spannendst wordt het waar Brems oude mythen ontzenuwt. Op die plekken is het meteen ook een geschiedenis van de literatuurbeschouwing zelf. De oude verhalen worden hier “gereproduceerd en ontmanteld', zoals Brems het noemt, en soms aangevuld. De pagina's over de Vijftigers zijn een voorbeeld van hoe Brems een bekend verhaal bijstelt. Soepeltjes vermengt hij daarvoor geschiedenis, institutionele informatie, poëzie zelf en poëtica. Het gaat in dat hoofdstuk niet alleen over de bekende dichters, kunstenaars en hun relletjes, maar ook bijvoorbeeld over de invloed van het opkomende pocketboek. Alleen door die economische factor kon het werk van de Vijftigers een grote verspreiding en een grote invloed krijgen. Zoals steeds gaat het Brems niet alleen om de tekst, maar ook om de context en de lezer.

De ironie wil dat een dergelijke democratische literatuurgeschiedenis, óver het publiek, niet per se leuk is voor datzelfde publiek. De lezer wil vooral lezen over mooie boeken en grote schrijvers. En hoe zit het dan met de neerlandici? Die zullen bij wijze van uitzondering heel tevreden moeten zijn.

Hugo Brems: Altijd weer vogels die nesten beginnen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1945-2005. Bert Bakker, 792 blz. 45,-

Het eerste deel van de nieuwe literatuurgeschiedenis, “Stemmen op schrift' door Frits van Oostrom, werd besproken in Boeken, 24.02.06.