Vingerwijzing naar hoe het ook kan

De Deense cartoonaffaire heeft een enorm debat ontketend - deze week nog in de Tweede Kamer. In essentie gaat dat over de vormgeving van de gemeenschappelijke ruimte. Kunst moet bij die vormgeving een grote rol spelen.

Een jaartje geleden was ik in Teheran, waar enkele van mijn documentaires vertoond werden. In de hal van de bioscoop hingen twee grote portretten. Het ene was van wijlen Ayatollah Khomeiny, aartsvader van de islamitische revolutie. Op het andere herkende ik mezelf. Zoiets voelt natuurlijk unheimisch. Eerbetoon is een gewiekste manier om je te gijzelen.

Even later bleek dat uit een film die ik over mijn ouders maakte (Het is een schone dag geweest, 1993) een scène was geknipt: mijn ouders hadden een traditioneel boerenbedrijf en na de verkoop van de koeien heft mijn vader in de film het glas met de veehandelaar. Maar niet in Teheran. Filmisch was het wel een aardige scène, omdat ik alleen de handen liet zien. Kennelijk woog het niet op tegen het alcoholverbod in Iran. Tegen de docent filmwetenschappen van de universiteit uitte ik mijn verbazing. Hij zei mijn film zo mooi te vinden dat hij hem toch had willen vertonen.

Het gesprek eindigde met een onoverbrugbaar wederzijds onbegrip. Toen ik er later over nadacht, was er iets vreemds: als student was ik vertrouwd geraakt met de literatuurtheorie en de semiotiek en ik wist dat betekenis op zichzelf niet bestaat, maar steeds wordt verleend en dus afhankelijk is van de omstandigheden waarin iemand kijkt. Maar op het moment dat het je raakt is er toch een reflex waarin je vast wil houden aan wat je bedoeld had. Plotseling stond ik erop dat de beelden van mij waren, ongeacht in welke omstandigheid ze worden vertoond.

Vanuit mijn beroep ben ik geneigd beelden serieus te nemen. Een beeld zou me iets waars kunnen vertellen. Vanuit mijn jeugd - ik groeide op in een traditioneel calvinistisch gezin - ben ik geneigd het beeld te wantrouwen. “Het is maar een beeld, de waarheid valt er niet mee samen.' Vanuit mijn passie - mijn wereldbeeld is bepaald door films - ben ik geneigd van beelden te houden. Beeld kan de waarheid, mijn waarheid, rechtstreeks belichamen.

Deze drie premissen brengen met zich mee dat mijn houding ten opzichte van beelden nooit iets vanzelfsprekends zal hebben. Ik ben dan ook geneigd een enorme betekenis toe te kennen aan beeldgerelateerde problemen. Toen eerder dit jaar ambassades werden bestormd als reactie op de publicatie van kennelijk aanstootgevende cartoons, dacht ik dat het heel wel mogelijk was dat de Derde Wereldoorlog kon uitbreken als gevolg van een paar beelden, in dit geval prenten van de profeet Mohammed. Tenslotte was de Eerste Wereldoorlog uitgebroken omdat Gavrilo Princip besloot een broodje te gaan eten in de straat waar de chauffeur van aartshertog Franz Ferdinand even later per ongeluk in zou rijden.

Intellectuelen

Er is een sterke stroming die eigenlijk niet wil praten over wat inmiddels “de cartoonaffaire' heet. Het gaat om intellectuelen die vanuit een politieke overtuiging menen dat het onverstandig is serieuze aandacht te besteden aan een gemanipuleerd oproer. De schrijver Amir Taheri is een belangrijke representant van deze stroming. Hij wees erop dat de krachten achter het oproer, de Moslim Broederschap-beweging, Hamas en Iraanse groepen eerder politieke dan religieuze organisaties zijn. Daarom moet volgens Taheri het hele debat niet gevoerd worden - je praat immers niet met fascisten, en elke aandacht die het Westen zou schenken aan de vraag of er grenzen zijn aan de vrijheid van meningsuiting in een multiculturele samenleving is in deze redenering het gevolg van chantage. Ten overvloede wijst Taheri er nog op dat er in de koran geen enkel verbod op afbeeldingen te vinden is, ongeacht of het Mohammed of wie dan ook betreft. Pas toen de islam in contact kwam met de joods-christelijke cultuur en de Tien Geboden, waarin een verbod geldt voor de afbeelding van God, kwamen er “fatwa's' tegen afbeeldingen van de Profeet.

Het oproer tegen de cartoons was georkestreerd en politiek gemotiveerd. Niet alleen Taheri heeft erop gewezen dat de machthebbers in Iran en Syrië, waar de heftigste uitbarstingen plaatsvonden, er belang bij hadden om de Deense regering als Satan op te voeren. Denemarken wordt immers hoofd van de Veiligheidsraad op het moment dat het Internationaal Atoomagentschap sancties tegen Iran gaat vragen in verband met het nucleaire programma van dat land. En voor Syrië geldt dat de Veiligheidsraad zich zal uitspreken over de betrokkenheid van president Assad bij de moord op voormalig premier van Libanon, Hariri. Dan komt het goed uit om over “vijanden van de Profeet' te spreken en massa's te mobiliseren.

Maar is daarmee de kous ook af?

Is elke vraag naar eventuele inperking van de vrijheid van meningsuiting automatisch verachtelijke zelfcensuur, zoals Taheri en de zijnen stellen? Is het recht op vrijheid van meningsuiting hetzelfde als het recht om mensen te kwetsen, ook wanneer we die mensen als half-geletterden zien die hun eigen traditie niet voldoende kennen? Is het recht om religie te bespotten hetzelfde onveranderlijke fundamentele recht in een veranderde samenleving, waarin de scheidslijnen tussen de verschillende discoursen van religie, politiek en kunst vervagen? Want dat is toch de kwestie die speelt. Niet alleen in deze affaire, maar ook bij de moord op Theo van Gogh.

Wat de “cartoonaffaire' en de moord op Van Gogh gemeen hebben, is dat een uiting die wordt gedaan binnen de spelregels van een kader plotseling opnieuw wordt geïnterpreteerd binnen een ander kader. Submission was in eerste instantie bedoeld als een artistieke uiting, met een duidelijk politieke boodschap. Een soort moderne agitprop - afhankelijk van persoonlijke smaak en politieke voorkeur kon het publiek zich daar een oordeel over vormen. Maar wanneer artistieke of politieke waarden regelrecht bepaald worden door een religieuze overtuiging, kan de reactie ineens buiten alle kaders vallen. En georkestreerd of niet, de woede over de cartoons is eigenlijk hetzelfde principe: een spotprent is voor ons zowat het schoolvoorbeeld van de vrijheid van meningsuiting, maar binnen een ander denkraam geldt een andere rangorde: die vrijheid van meningsuiting wordt opgevat als heiligschennis.

We zijn dus in een tijd terechtgekomen waarin de beelden niet meer zijn wat ze waren. Buiten hun traditionele kader kunnen ze onveilig zijn. Gek genoeg is dit iets waar de Westerse kunst heel lang naar heeft gestreefd: niet alleen object te zijn van bespiegelingen, maar ook een rechtstreekse emotie, een “Ding' dat onvoorspelbare, onwillekeurige gedaantes aanneemt en ingrijpt in het dagelijks leven. Bertolt Brecht en allerlei theaterexperimenten na hem, de performance art en allerlei kruisbestuivingen tussen “hoge kunst' en publieksparticipatie - ze hadden allemaal tot doel de kloof te dichten tussen artistieke en maatschappelijke kaders. Los daarvan kun je vaststellen dat elke serieuze kunst ons in aanraking brengt met “het andere', als een vingerwijzing naar hoe het ook zou kunnen zijn, en in die zin altijd een provocerend of zelfs revolutionair kantje heeft. Alleen was de gedachte altijd dat dit zou leiden tot emancipatie, tot de vervolmaking van de homo ludens, en niet tot de keerzijde daarvan: de vestiging van een niets ontziend religieus fanatisme.

Wanneer we vaststellen dat beelden een onvoorspelbare rol kunnen spelen in de publieke ruimte en we er tevens een punt van maken dat we die ruimte willen delen, dan ontstaat een nieuwe zoektocht naar de balans tussen principiële rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en het sociaal contract dat de basis is van de publieke ruimte. Wanneer we andersdenkenden het gevoel willen geven dat ze deel uitmaken van die ruimte moeten we nadenken over de inrichting ervan. We kunnen die ruimte inrichten als een klaslokaal en iedereen vertellen wat hij moet denken, of in ieder geval accepteren. Dat is wat we verfoeien in totalitaire regimes, religieuze scherpslijpers en hautaine politici.

We kunnen die ruimte ook beschouwen als een marktplaats, waar waarde wordt gemeten in economische termen en de commercie domineert. Het leidt tot vervreemding en culturele verschraling.

Wanneer we de publieke ruimte zien als een plein, dan accepteren we een zekere terughoudendheid, een beleefdheid, die daar bij hoort. De bindende factor op dat plein zou volgens de Duitse islamoloog Bassam Tibi “cultuur' behoren te zijn. Tibi stelt dat Europa niet in staat is tot een succesvol integratiebeleid omdat het zichzelf minacht. “Europa' biedt te weinig herkenning. De herkenning zou moeten liggen in de kwaliteit van de culturele overdracht - het is die kwaliteit die volgens hem Europa onderscheidt van andere continenten, waar onderlinge herkenning eerder plaatsvindt binnen de domeinen van de religie of de markt. In zekere zin pleit Tibi voor een herwaardering, van een bezieling, van de publieke ruimte. Eenzelfde bezorgdheid is te vinden bij jonge Oost-Europese architecten, die vanuit hun geschiedenis begaan zijn met de morele functie en de mogelijkheden van de publieke ruimte. Zij zijn verbaasd en bezorgd over het gemak waarmee die ruimte aan het wild-westkapitaal is weggegeven.

Massamedia

De aanbevelingen van Tibi en de architecten zijn radicaal: ze vergen een verregaande herstructurering van bestaande “ruimtes'. Het betekent bijvoorbeeld dat de massamedia gestimuleerd moeten worden om cultuur aan te bieden. Maar ook dat de kunst een vanzelfsprekende plaats zou moeten krijgen in de openbare ruimte; op straat, pleinen, gebouwen, bushaltes, in de ondergrondse. Kunst als een permanente vingerwijzing naar hoe het ook kan. In die ruimte zou een nieuwe taal kunnen ontstaan, die de Ander niet langer met een economische terminologie karakteriseert (“de gastarbeider'), niet met een etnische (“de Turk') en niet met een religieuze (“de moslim'), maar hem opneemt in de gedeelde culturele ruimte.

Je zou hierbij kunnen denken aan politiek-culturele initiatieven die delen van de publieke ruimte openstellen voor initiatieven die niet door efficiëntie of het marktmechanisme bepaald worden. Wie bijvoorbeeld de reclames voor sekslijnen langs de A4 gadeslaat kan een heel scala aan gedachten of emoties doorlopen: je kunt ze bestempelen als slechte smaak of vervuiling van de openbare ruimte. Je kan vanuit een bepaalde politieke of culturele achtergrond ook zeggen dat ze onderdrukkend, beledigend of aanstootgevend zijn. De vraag is nu of de markt het laatste woord heeft bij de inrichting van de publieke ruimte, of dat de politiek daar een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft. Zoals op diezelfde A4 de “Marlboro-man' verdween omdat hij in strijd was met het beleid voor de volksgezondheid, zo zouden allerlei reclame-uitingen als strijdig met een cultuur-ideaal kunnen worden verklaard. In plaats daarvan komen dan steeds wisselende kunstuitingen, langs de snelweg, op de trein, de bus en de tram, in de metro, op de abri's, kortom op al die plekken die we delen en waar we niet langer genoegen nemen met alleen de taal van de commercie, die ons vervreemd van andere waarden. Op die plekken kunnen we namelijk samen een verhaal, of eigenlijk al onze verhalen, naast elkaar schrijven.

Er is geen reden te verzinnen om het niet te doen: we ervaren immers vandaag dat er geen culturele “common ground' is; nauwelijks aanbod en/of herkenning van kwaliteit, geen cultureel debat, geen inhoudelijke verdieping. En je zou met Bassam Tibi cum suis kunnen argumenteren dat een cultuur zonder “common ground' als vanzelf desintegreert en een groot onheil afroept. Op dat moment wordt het een morele en democratische plicht om ons radicaal te herbezinnen.