Vijf ruwhouten kruizen

De reis naar Peru, op zich een erg mooi land, heeft één centraal thema: het noodlot.

De dag voor ons vertrek naar Peru krijgen we een mail van Cornelis, de ontwikkelingswerker met wie we een woningruil hebben. Hij haakt af. Een tegenvaller, maar Cornelis is bereid een alternatief onderkomen voor ons te regelen: een naargeestige flat in Cuzco, de stad die voor de oude inca's de navel van de wereld was. Nog maar nauwelijks hebben we ons geïnstalleerd of alles begint te trillen en te rammelen. De hoofdstad van het incarijk heet ons welkom met een aardschok.

De volgende morgen krijgt Gerarda op de beroemde indianenmarkt een klodder shampoo op haar schouder. Vrouwen in klederdracht wijzen in de lucht en roepen “pájaro, pájaro!' Hoewel we op de vogelpoeptruc zijn voorbereid, blijkt even later dat de dames toch kans hebben gezien haar tas open te snijden.

Nadat we op het grote volksfeest van Cuzco, de Inti Raymi, zijn platgedrukt in de menigte, ontvluchten we de stad in de laadbak van een truck. In een haarspeldbocht maakt het gevaarte een schuiver en komt op de rand van een ravijn tot stilstand. Uit de bak klauterend zien we in de diepte vijf ruwhouten kruizen staan. De chauffeur neemt nog maar eens een flinke slok voor de schrik. We maken hem duidelijk dat hij zonder ons verder moet. We hebben er een ijskoude nacht onder de blote hemel voor over om heelhuids ons doel, het oerwoud, te bereiken.

De jungletocht is fantastisch, vooral ook omdat we er zonder kleerscheuren vanaf komen. Onze volgende bestemming is het Titicacameer. Ik heb een uurprijs bedongen bij de taxichauffeur. Zijn auto kruipt over de weg. De chauffeur verontschuldigt zich: “Het is een stadstaxi, señor.“ Midden op het meer vliegt de motor in brand van het bootje dat ons naar het eiland Taquile brengt.

Weer in Cuzco ontdekken we dat we de sleutel van de flat kwijt zijn. De eigenaar eist een nieuw slot. Als we er mee aan komen zetten, staan de buren door de opengebroken voordeur naar binnen te kijken. We zijn bang dat onze spullen gestolen zijn, maar de waterleiding is gesprongen. Alles staat blank. We gaan er tegenaan. De flat is nog nooit zo schoon geweest.

Om het noodlot te bezweren, besluiten we eerder naar huis te gaan. Op het vliegveld van Cuzco krijgen we te horen dat er geen stoelen meer vrij zijn. We zien dat Peruanen wél mee mogen. Een jonge Belg pikt het niet en maakt stampij. De bewaking komt op ons af, maar hij krijgt het voor elkaar. We kunnen doorlopen naar het vliegtuig.

In Lima nemen we een lijnvlucht naar Canada om vandaar naar Nederland te vliegen. De douane in Toronto breekt beide pijlen doormidden, die we bij de Machiguengas in het oerwoud hebben geruild voor lollies en sigaretten. Er zit geen cocaïne in.

Eenmaal boven de Atlantische Oceaan grijpen we elkaars hand. Die laten we niet meer los, want de gezagvoerder deelt mee dat er een bommelding is. We maken rechtsomkeert en landen op Newfoundland, waar passagiers en bemanning worden opgesloten in een grote, steenkoude hal. Iedereen moet zijn koffers aanwijzen. Die van ons staan er niet bij. De gebroken pijlen liggen er wél. We worden aan de tand gevoeld. Ook al doen we nog zo ons best om onze ondervragers het verschil uit te leggen tussen toeristen en terroristen, het helpt niet. Ze blijven de halve pijlen voor gevaarlijke steekwapens aanzien.

Het hele vliegtuig wordt binnenstebuiten gekeerd. Er wordt niets gevonden. Iedereen is opgelucht. Ik niet. Misschien is de bom wel heel goed verstopt. Zodra we op Schiphol zijn geland, spring ik overeind en begin te juichen. In de bagagehal worden onze namen omgeroepen. De koffers waren meegekomen met een eerdere vlucht. We hebben ook altijd geluk.