Kunst uit een slapeloos brein

In het tweede en laatste deel van de biografie van Henri Matisse wordt flink geleden voor de kunst. Matisse blijkt een grotere tobber dan je op grond van zijn kleurrijke, decoratieve schilderijen zou verwachten.

Henri Matisse (1869-1954) was beleefd, gedisciplineerd en altijd keurig gekleed: helemaal niet wat je je voorstelt bij de voorman van het groepje Parijse schilders dat aan het begin van de twintigste eeuw Les Fauves oftewel de wilden werd genoemd. Al tijdens zijn leven had hij de reputatie een interessante schilder, maar een saaie man te zijn. Dat was het voornaamste misverstand dat de Engelse biografe Hilary Spurling te lijf wilde toen ze vijftien jaar geleden aan haar tweedelige biografie over Matisse begon. Het tweede, vorig jaar verschenen deel Matisse the Master werd eind januari bekroond met de Whitbread Book of the Year Award 2005.

Zoals Spurling het presenteert is Matisse's leven inderdaad allerminst saai. In de tweede helft van zijn leven maakt hij twee wereldoorlogen mee, groeien zijn kinderen op, geeft hij les, bewoont hij verschillende huizen, wordt zijn werk verguisd en bejubeld en reist hij onder meer naar Marokko, Amerika, Rusland en Haïti. Hij heeft bijna altijd gezelschap, van zijn gezin, van modellen of van vrienden als Picasso, Renoir, Marquet, Gris en Bonnard - om een paar van de bekendste te noemen. Allemaal wandelen ze door het boek en worden ze terloops maar scherp door Spurling geportretteerd: zoals alle goede biografieën bevat ook deze veel mini-biografietjes. Omdat iedereen correspondeerde, dagboeken bijhield of geïnterviewd werd, kon Spurling uit veel verschillende bronnen putten om Matisse' leven zo precies mogelijk te reconstrueren. Ze heeft ze onvermoeibaar geraadpleegd en haar reconstructie gelardeerd met de prachtigste citaten en anekdotes. (Als Matisse vier nieuwe doeken aan Gertrude Stein en Mildred Aldrich toont, valt er een lange stilte. “Ik ik begrijp het niet', stottert Aldrich tenslotte. “Ik ook niet', antwoordt de schilder rustig terwijl hij een sigaret opsteekt.)

Verkering

Matisse leunde zwaar op zijn familie en vrienden en hechtte grote waarde aan hun oordeel over zijn werk - en dus over zijn leven, want zijn werk wás zijn leven. “Ik hou veel van je, mademoiselle, maar ik zal altijd meer van de schilderkunst houden,' had hij zijn vrouw Amélie al gewaarschuwd toen hun verkering serieus werd. Mevrouw Matisse had - en hier ontzenuwt Spurling nog een misverstand - geen concurrentie te duchten van de vele mooie vrouwelijke leerlingen en modellen die tot op het laatst in het atelier van haar man te vinden waren. Nee: “Amélie had een veel sterkere rivaal.' Er wordt in Spurlings biografie dan ook flink geleden voor Matisse' kunst. Bijna elk nieuw schilderij put hem geestelijk en fysiek volledig uit en om de paar bladzijden - je kunt erop wachten - is ook zijn vrouw, zijn model of een van zijn kinderen de instorting nabij. De steeds maar terugkerende hysterie krijgt iets karikaturaals, al is de fijngevoeligheid van Matisse zelf nog wel te begrijpen: die hangt samen met de fijngevoeligheid die hij als schilder nodig heeft. “Jezelf helemaal geven aan wat je doet,' schrijft hij in een brief, “en tegelijkertijd jezelf bekijken terwijl je het doet - dat is het allermoeilijkste voor hen die instinctief werken.'

Matisse blijkt een grotere tobber dan je op grond van zijn kleurrijke, decoratieve schilderijen zou verwachten. Zelf heeft hij het over “emotionele onevenwichtigheid - ik verval te snel van het wildste enthousiasme in de zwartste wanhoop.' Het is goed dat Spurling deze onvermoede kant van Matisse belicht, maar soms krijg je het gevoel dat ze te ver doorschiet. Haar Matisse beantwoordt verdacht sterk aan het cliché van de getourmenteerde, onbegrepen ziener, het genie dat alleen maar ongebaande paden bewandelt. Bezoekers die hij in 1911 een serie nieuwe schilderijen van zijn interieur liet zien, begrepen volgens Spurling “onmiddellijk dat niemand ooit zoiets had gezien of bedacht'. Over de naïeve, platte voorstellingen die hij later in Marokko schilderde, schrijft ze dat hij geheel intuïtief “was gestuit op een nieuwe laag van de zichtbare werkelijkheid waarin maar weinig tijdgenoten hem konden volgen.' Picasso was eigenlijk de enige die net zo vernieuwend bezig was, beweert ze elders. Dat lijkt me overdreven. Picasso en Matisse liepen in de voorhoede, maar waren lang niet de enigen.

Alhambra

Bovendien was het allemaal ook weer niet zo heel nieuw. Matisse' onderwerpen - liggende naakten, dansers, baders, stillevens, interieurs - waren geijkt en veel van zijn formele vernieuwingen ontleende hij aan oude kunst van elders: oosterse decoraties die hij op een tentoonstelling in München en in het Alhambra bestudeerde, iconen die hij zag in Moskou. Zoals alle goede kunstenaars keek Matisse een deel van de kunst bij andere goede kunstenaars af. Omstreeks 1918 ging hij te rade bij het werk van Franse voorgangers als Courbet, Corot en Renoir (die hij in diens laatste levensjaar dagelijks bezocht) en werd zijn schildertrant weer even wat traditioneler, wat academischer. Meteen gingen “de verkeerde mensen' zijn werk waarderen. Wat geeft het, denk ik dan, zolang het goed is. Maar Spurling, gestuurd door het moderne misverstand dat kunst de toeschouwer niet lekker mag zitten, schrijft dat het nog zestig jaar zou duren voordat het publiek oog kreeg voor de beklemming en verlorenheid die door deze schijnbaar vrolijke, burgerlijke taferelen heen schemeren. Je kunt evengoed zeggen: wat mooi dat uit een slapeloos brein vol wanhoop en rampscenario's toch zulke behaaglijke, rustige schilderijen voortkomen, waarin niets van die ellende te bespeuren is. Zelf zei Matisse altijd dat hij evenwichtige, zuivere kunst wilde maken, “kunst die mensen niet stoort of verontrust. Ik wil dat iedereen die moe, afgebeuld en beproefd is, rust vindt in mijn werk.' Iedereen, dus ook de schilder zelf.

Matisse' werk benadert ze wat te eenzijdig, maar zijn leven beschrijft Spurling van alle kanten. En meeslepend. Ze heeft zo'n klassieke Engelse verteltrant, met veel aandacht voor leuke terzijdes en tot de verbeelding sprekende details waar je alleen in vijftien jaar graven op stuit. Steeds als Matisse zich voor langere of kortere tijd ergens vestigt, beschrijft ze geduldig hoe hij die plek aantrof - niet plichtmatig, maar aangenaam verhalend, alsof ze er zelf bij was. Zelfs de weersomstandigheden beschrijft ze, want “voor Matisse was mooi weer, net als nachtrust, een beroepsmatige noodzakelijkheid die alles kleurde wat hij deed.' Voor een biografie zijn zulke uitweidingen noodzakelijkheden die het beschreven leven echt maken.

Hilary Spurling: Matisse the Master. A Life of Henri Matisse: The Conquest of Colour, 1909-1954. Hamish Hamilton, 512 blz. euro 35,-