Kinderboeken

Jassenhuizen van Sieb Posthuma

Baas en hond gaan - zo is bekend - steeds meer op elkaar lijken. Maar met twee recente prentenboeken heeft Sieb Posthuma het gevaar van al te grote vereenzelviging met zijn prentenboekenhond Rintje (gemodelleerd naar zijn eigen fox terriër) afgewend.

Posthuma koos niet voor de veilige, herkenbare wereld van Rintje, maar maakte twee boeken die meer in het verlengde liggen van de excentrieke illustraties die hij maakt voor kranten en tijdschrijften.

In Feodoor heeft zeven zussen (tekst Marjet Huiberts, Gottmer), waarin Feodoor gebukt gaat onder de betuttelende liefde van zeven zussen, zijn de jongedames bijna sjablonen. Ze bestaan voornamelijk uit korte, kleurige jurken met pofmouwen (die soms ook op borsten lijken) en dragen een soort bivakmutsen met hysterische strik. De kijker weet meteen: hier is sprake van wijvigheid en overdreven opwinding.

In Mannetje Jas, waarvoor Posthuma ook zelf de tekst schreef, is de sfeer meer ingetogen. Met collage-technieken, veel aquarel en een enkele inktlijn maakt Posthuma een tijdloze wereld, met a-typische huizen en auto's, en met speciale aandacht voor jassen in alle mogelijke kleuren en patronen.

Mannetje Jas is een man die het altijd koud heeft. We zien hem met jas aan bibberend tussen twee houtkachels staan en in bed liggen onder zes elektrische dekens en een grote warmtelamp. Op een dag heeft hij - na een bezoek aan een kleermaker - zoveel jassen over elkaar aangetrokken dat hij niet meer in zijn eigen huis past. Ook al stookt hij onder zijn jassen een vuurtje, hij blijft koud. Totdat blijkt dat in een andere stad een vrouwtje in net zo'n jassenhuis woont.

Mannetje Jas is een mooi verhaal over zielsverwantschap en hoe je, in geval van echte liefde, elkaar kan afpellen als een ui: “En terwijl ze verder kletsten, gooiden ze jas na jas uit. Een paar uur later hadden ze ieder nog maar twee jassen aan, en klappertanden deden ze al lang niet meer.'

Sieb Posthuma: Mannetje Jas, 3+, Querido, 13,50

Ruggenbergs kindslaven van de Spanjolen

“Wij zijn niets, minder dan lucht. Als wij doodgaan is er niemand die naar ons omkijkt. Je verdwijnt in een gat langs de weg of in een sloot. Ze kopen gewoon een nieuwe mochilero. Jouw voorganger is gisteren gestorven. Misschien heeft José hem wel doodgeslagen.' De jongen Robbe is net door zijn oom verkocht aan José, een wrede Spaanse soldaat. De dag ervoor zijn Robbes ouders door Spanjaarden op beestachtige wijze vermoord, omdat ze ketters waren. Het is 1572: Spanjaarden trekken rovend en moordend door het land. Robbe weet uiteindelijk met de hulp van een meisjesbende uit het Spaanse kamp te ontsnappen. Ze vluchten naar Waterdunen, een eilandje voor de kust van Zeeland dat bijna helemaal in zee is verdwenen.

In de historische jeugdroman Het verraad van Waterdunen, vertelt debutant Rob Ruggenberg een spannend avontuur met veel plotwendingen, weerziens en vaarwels. Ruggenberg is een beeldend verteller; de lezer kan de striemen, blaren, honger en vermoeidheid voelen. Maar hoewel de gruwelijke moorden ongetwijfeld historisch verantwoord zullen zijn, zijn het er voor één romanverhaal wel heel veel. De lezer heeft weliswaar geen tijd om zich te vervelen, maar hij krijgt ook geen rust om bij de betekenis van de gebeurtenissen stil te staan. Daarom blijven de karakters van de kinderen plat en is bijvoorbeeld de verliefdheid van Robbe en Lo, de aanvoerder van de meisjesbende, niet navoelbaar. “Ze vond Robbe de leukste jongen die ze ooit gezien had, al zag hij er dan vreselijk uit, met dat broodmagere lijf en dat lelijke litteken.' Zou dat echt de gedachte zijn van een meisje dat kort geleden zag hoe haar vader aan een galg hing, hoe haar moeder werd doorboord met een lans en hoe de lijken van haar broertjes er half verkoold bij lagen? En Ruggenberg overspeelt zijn hand als hij Enghel, een meisje met telepathische gave, ook nog eens laat praten met een zeehond.

Maar Ruggenberg is niet in de val van de historische roman gestapt: de overgedetailleerde beschrijving van dagelijkse gebruiken. Bij hem gelukkig geen: “De mannen sneden met hun stikker de turven op maat'. Ruggenberg schrijft zo spannend dat tienpluslezers het harde bestaan van zwervende weeskinderen in de Tachtigjarige oorlog niet licht zullen vergeten.

Rob Ruggenberg: Het verraad van Waterdunen, 216 blz., 10+, Querido, 13,50

Meelezen gewenst bij Margriet Heymans

Schrijft en tekent Margriet Heymans voor kinderen? Neem haar met een Zilveren Griffel bekroonde Lieveling, boterbloem (1989), een poëtisch geschreven verhaal met een ingewikkelde compositie over een ietwat zonderling meisje. Dat boek heeft - ondanks de speelse tekeningen en taalvondsten - een onderstroom van loden ernst. Het is geschreven vanuit verwondering voor het kinderlijke, niet uit kinderlijke verwondering.

Dan haar nieuwe boek: Diep in het bos van Nergena. Op een dag komt Pep, “de man van Kaat uit Nergena', op de motor naar de stad Gunderwijd. “Kan ik een van jullie meisjes lenen? Ons kind Jet heeft gezelschap nodig. Ze voelt zich eenzaam. En daar gaat Frieda - “omdat ik een lastpost ben met een grote mond hebben ze mij toen meegegeven'.

Wat is hier aan de hand? De brieven van zus Adalie uit Gunderwijd geven vage aanwijzingen voor iets wat de volwassen lezer meteen als “oorlog' interpreteert, maar die voor het referentiekader van een kind waarschijnlijk te subtiel zijn. Bijvoorbeeld: “We dachten nog: Ha fijn, rausen met de grote knullen op het Jakob Hamelplein. Maar toen we aankwamen regende het pijpenstelen en bleken alle grote knullen weg te zijn.' Intussen keutelt het leven van alledag door. Als Adalie niet meer naar school kan omdat er paarden in de klas staan en kozakken voor de poort, leest Frieda dat dat voor hun zusje Lowieze maar beter is: “Zij kan niet opletten in de les. Altijd als ze oplet krijgt ze jeuk onder haar voeten.'

In de puntgave stripachtige tekeningen in sepia laat Heymans mooie interpretaties van de tekst zien waarin nog veel nieuws is te ontdekken. Toch stuit de lezer in Diep in het bos van Nergena voortdurend op vragen. Waarom moest Frieda de stad uit? Waarom worden er thuis in Gunderwijd stukken van de tafelpoten afgezaagd? Waarom eet haar familie voortaan stamppot uit een ketel op de hoek?

Antwoorden geeft Heymans niet. En juist dat niet-weten roept waarschijnlijk bij een kind, dat van de verschrikkingen van een oorlog weinig weet heeft, net zo'n onbestemd, onwerkelijk gevoel op als bij volwassenen die daar wel een idee van hebben. Daarmee is dit bijzonder fraai en poëtisch geschreven verhaal, waarin beklemming en humor razendknap in evenwicht zijn, een boek voor kinderen. Meelezen is misschien gewenst.

Margriet Heymans (tekst en illustraties): Diep in het bos van Nergena, 48 blz., 10+, Querido, 13,50

Verder verschenen

Gilles Eduar maakte een voorbeeldig pop up-boekje: Het poezenhuis. Achter veel ramen, deuren en luiken krioelt het van de muizen - met op elke pagina een glansrol voor supermuis (Querido, 14,95)