Kies je identiteit!

In zijn boek Small, Medium, Large, Extra-Large, verschenen in 1995, maakt architect Rem Koolhaas een paar treffende opmerkingen over de identiteit. Het essay dat ik bedoel, The Generic City, begint op pagina 1248. Gaat het met de ontwikkeling van onze eigentijdse steden dezelfde kant op als met de vliegvelden? Beginnen ze steeds meer op elkaar te lijken? En als dat zo is, kunnen we daaraan dan een betekenis toekennen? Wat moeten we ervan denken als we hier getuige zouden zijn van een historische mondiale beweging, een “Weg met de verschillen, leve de gelijkvormigheid!', zoals die overal zichtbaar aan de gang is?

Een stoutmoedige gedachte, of een veronderstelling die in de tien jaar daarna telkens weer en steeds duidelijker wordt bevestigd. Onophoudelijk groeit de wereldbevolking, niet meer per seizoen, maar het hele jaar door overspoelen hordes toeristen langzamerhand de hele planeet. De kennis van en de liefde voor het eigen groepsverleden vervaagt, en in plaats daarvan verschijnt een mondiaal gedeelde wetenschap van het per dag veranderend aanbod van de algemene consumptiecultuur. In dit proces verdunt de oude identiteit zich al vanzelf, reduceert zich tot “onbetekenend stof'.

Koolhaas verbindt er, bij wijze van hypothese, een filosofische conclusie aan. Identiteit, schrijft hij, is als een muizenval, waarin steeds meer muizen hetzelfde lokaas moeten delen. En als we nauwkeuriger kijken, komen we misschien tot de conclusie dat er al eeuwen geen lokaas meer is. “Hoe sterker de identiteit, hoe strenger de drager erdoor gevangen wordt genomen, hoe meer hij zich verzet tegen expansie, interpretatie, vernieuwing, tegenspraak.' Neem een voorbeeld: Parijs. Kan alleen nog meer Parijs worden, is nu al een hyper-Parijs, een opgepoetste karikatuur. (En, voeg ik eraan toe, kijk naar Amsterdam, daar is het nog erger).

Koolhaas laat zijn verbeeldingskracht dan de vrije loop, beschrijft de toekomst van de generieke stad. Interessant, maar valt hier buiten de orde. Identiteit belemmert de vrijheid, dat is de praktijk van ons dagelijks leven. Dit is de stelling. Aan de ene kant hebben de meeste mensen de behoefte zo beroemd en rijk mogelijk te worden, hun identiteit kwantitatief te versterken. Dat doen ze vrijwel allemaal op dezelfde manier. Geen voorstelling van uniformer gedrag dan die van de Oscar-winnaars in Hollywood of van de voetballers die de winnende doelpunten maken. Die hele voorstelling geven ze voor de altijd aanwezige media. Iedere celebrity wordt door de media voortdurend op de hielen gezeten. Er is maar één manier om daaraan te ontsnappen: het tijdelijk afstand doen van de identiteit door weg te duiken in de vermomming van de anonimiteit.

Het begrip identiteit verandert snel. De inhoud die we er een jaar of vijftig geleden aan toekenden verschilt al sterk van die van twintig jaar geleden, en sindsdien is het verschil in verhoogd tempo verder gegroeid. Er is een nauw verband tussen de ontwikkeling van de massamedia en die van de identiteit. Dat is een van de oorzaken van het toenemend verschil tussen de generaties. Op het ogenblik wordt een generatie volwassen die uit ervaring niets van de Koude Oorlog weet, niets van ideologische tegenstellingen, niets van “beter een raket in je achtertuin dan een Rus in je keuken'. Die kinderen zijn opgegroeid in de jaren negentig, de Roaring Nineties. Het wil zeggen dat ze zijn opgegroeid met de computer, zoals hun ouders met de walkman en andere toenmalige wonderen der techniek. Dat hoort voor deze nieuwe volwassenen tot het oneindig verleden van Hamertje tik, waarmee ze niets te maken hebben. Daarentegen weten ze alles van de groei van internet.

Wat heeft dit met identiteit te maken? Kort gezegd, dat ze op internet onophoudelijk hun eigen identiteit kunnen bevestigen, van identiteit kunnen wisselen, alle plezier van hun grenzeloze vrijheid kunnen hebben, zonder de noodzaak daarvan de gevolgen te dragen. “Op internet kies ik zelf wie ik ben', is de kop boven een betoog van Henk Blanken in de Volkskrant van 18 maart. “Nergens openbaart de digitale generatiekloof zich sterker dan in de discussie over identiteit op internet.' De vrijheid die de nieuwe generatie daar geniet, wordt in laatste aanleg verzekerd door, als men dat wil, de garantie van anonimiteit.

Het is een interessante, zij het ook wat hooggestemde beschouwing. “Ondertussen hebben miljoenen jongeren op het net een samenleving gemaakt. Ze betalen met eigen munt, spreken recht, kennen gedelegeerde verantwoordelijkheid, en aanbidden hun eigen iconen. In zekere zin dragen individuele leden zorg voor het collectief, hoe virtueel“ dat collectief ook is.'

Zo eindigt het. Ik geloof het graag. Ik wil het plezier niet bederven door een paar citaten te geven uit het oeuvre van scheldende en tierende, anoniem de vrijheid van meningsuiting gebruikende bloggers of te refereren aan de antipestcampagne van de overheid. Met de nieuwe opvattingen van identiteit moeten we leren leven. “Die individuelle Freiheit ist kein Kulturgut', zei Freud. Iedere generatie doet die ontdekking op haar eigen manier.