Iran is echt niet zo gevaarlijk

Westen moet subtieler met een schurkenstaat omgaan.

Als Iran een kernwapen wil ontwikkelen, kan niemand het land tegenhouden.

Er zijn weinig brandhaarden in de wereld die er vanuit Aziatische invalshoek zo anders uitzien als die van Iran. En dat betreft niet alleen de moslimwereld, die een heimelijk genoegen schept in de provocaties van president Ahmadinejad. De meeste Aziatische landen kunnen zich helemaal niet zo druk maken over het Iraanse kernwapenprogramma. Iran is een trotse natie met een rijk verleden en ze wordt aan verschillende kanten omgeven door kernwapenstaten. Pakistan heeft een bom, India eveneens, van Israël wordt aangenomen dat het iets achter de hand heeft en aan de noordkant ligt Rusland.

China en India maken zich niet zo druk om het gevaar: de praktijk heeft geleerd dat landen met een kernwapen een zekere behoedzaamheid en meer verantwoordelijkheidsbesef aan de dag leggen. En, trouwens, een veilige wereld is niet te krijgen.

Het hele verdrag tegen de verspreiding van kernwapens uit 1968 - het Non-proliferatieverdrag - geldt hier als een “uitdrukking van morele arrogantie van het Westen“, om de woorden van een Aziatisch lid van de VN-ontwapeningscommissie te gebruiken.

Een paar jaar lang hebben Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland gedrieën geprobeerd Teheran van gedachten te doen veranderen en zich aan het inspectieregime van het Internationaal agentschap voor atoomenergie te onderwerpen. In Europa leek dat een fraai gebaar: niet de botte bijl van de Amerikanen in Irak, maar de subtiele diplomatie van de Europeanen om een tijdbom in het Midden-Oosten te demonteren.

Vanuit Azië zag dat er echter heel anders uit: zowel Frankrijk als Groot-Brittannie hebben een kernbom. Van de drie Europese voortrekkers in Iran heeft alleen Duitsland geen kernwapen en dat land wil er ook geen, maar Duitsland geldt nou uitgerekend (om alleszins geldige redenen) als een van Israëls beste vrienden in Europa.

Dit drietal nu beschouwde zichzelf als de bij uitstek wijzere westerlingen om de islamitische machthebbers in Teheran ervan te overtuigen dat een kernwapen in hun handen onverantwoord speelgoed is. Dat oogde helaas nogal komisch.

De Amerikaanse president vertelde onlangs in een gesprek met het bestuur van het Hoover Instituut, het top-instituut voor internationale betrekkingen van de befaamdeStanford University, dat hij een robuustere koers tegen Iran wil varen.

Maar alle macho-frases kunnen niet verhullen dat ook de Verenigde Staten betrekkelijk machteloos zijn. Nieuwe Irak-avonturen zijn voor vele jaren ondenkbaar geworden en dankzij de chaos daar is Iran alleen maar sterker geworden. Met andere woorden: als Iran een kernwapen wil ontwikkelen, gaat dat gebeuren en niemand die dat wil of kan tegenhouden. Is het dat dan?

Er is een schrale troost én is er een kans. De troost is dat een kernbom niet van de ene op de andere dag wordt gebouwd of bruikbaar is. Kansen zijn er ook. Het is helemaal nog geen uitgemaakte zaak dat Iran een schurkenstaat wordt. Want hoe vreselijk het ongenuanceerde kabaal van de Iraanse president ook is, het is hem noch de ayatollahs in 25 jaar gelukt om er een echte Talibaantheocratie van te maken.

Er is dus ruimte voor beïnvloeding. Dat moet dan wel subtiel gebeuren en niet zoals de Amerikaanse onderminister Barns vorige week deed. Hij meldde dat het State Department flink gaat uitbreiden in de regio rondom Iran om de Iraanse oppositie een handje te helpen. Hij had ook dollars: 75 miljoen.

Het is precies wat Iraanse critici van het huidige ayatollahbewind niet kunnen gebruiken, omdat het hen als handlangers van Amerika diskwalificeert. Subtiele beïnvloeding - dat is een metier waar ze in Azië een paar lessen in zouden kunnen geven. Desgevraagd - dat wel, want anders bezien de landen hier het westerse doen en laten in Iran voornamelijk geamuseerd.

Ben Knapen is correspondent Zuidoost-Azië voor NRC Handelsblad. Hij schrijft vanuit Jakarta een tweewekelijkse column voor de opiniepagina.