Idealiste met weerzin tegen zinloze Haagse rituelen

Nee, het was haar nooit allereerst om de macht gegaan. Ze had de actieve politiek dan ook niet verlaten uit teleurstelling over gebrek aan succes in de stembus. Dat zei de gisterochtend na een slepende ziekte overleden Ria Beckers-de Bruijn toen zij in 1993 uit de Tweede Kamer vertrok. Als zij al ergens teleurgesteld over was, zei zij in afscheidsinterviews, dan was het vooral over de teloorgang van het progressieve idealisme in Nederland. 'Ik weet niet meer wat ik aan de PvdA heb', stond er boven een van die interviews, waarin ze ook over D66 klaagde. Misschien miste zij Joop Den Uyl wel, want over deze gewezen PvdA-voorman zei zij: 'Hem heb ik altijd heel hoog gehad. Hij was niet vrij van theater, maar hij had hart voor de politiek en voor mensen. Dat mis ik tegenwoordig bij politici nogal eens.'

Juist dat progressieve idealisme had haar en haar man eind jaren zestig, begin jaren zeventig geïnspireerd om in de politiek te gaan. Andere inspiratiebron: het toenmalige rapport aan de Club van Rome, dat het echtpaar zó raakte dat hun leven verder steeds in het teken van de zorg om het milieu zou blijven staan. Voor de politiek gaf Ria Beckers, moeder van drie kinderen, haar baan op als lerares klassieke talen (1962-1974). Ze was toen al een paar jaar lid van de PPR, een partij die na de val van het centrum-linkse kabinet-Cals/Vondeling (najaar 1966) was opgericht vooral door en voor ontevreden rooms-katholieken die de KVP te weinig veranderingsgezind vonden. In 1973 werd zij bestuurslid, in 1974 voorzitter van de PPR. In 1977 werd zij de eerste vrouwelijke lijsttrekker in Nederland, en Tweede-Kamerlid.

Tot 1993 zou zij lid van de Tweede Kamer blijven, onafgebroken fractieleider. Eerst, van 1977 tot 1989 van de PPR, daarna nog eens vier jaar van GroenLinks, dat was ontstaan uit kleine linkse partijen PPR, PSP, CPN en Evangelische Volkspartij. Onder haar lijsttrekkerschappen was de PPR van zeven, via drie en nog eens drie naar twee zetels in de Tweede Kamer teruggevallen. In 1989 haalde zij met de GroenLinks zes zetels. Zij wilde dat jaar eigenlijk al wat anders gaan doen, maar voelde zich aan het nieuwe GroenLinks verplicht in de Kamer te blijven. Die partij, met haar sterke milieu-accenten, zag zij als een mooie breuk met het verleden: 'De radicaal-linkse partijen waren toch vooral een amendement op de sociaal-democratie.'

Gaandeweg had zij, in 1980 uit de Randstad verhuisd naar een boerderij in het Gelderse dorp Wadenoijen (bij Tiel), overigens wel enigszins haar bekomst gekregen van de parlementaire politiek en haar taaie werkweken van tachtig uur. Zij begon, tot woede van mensen als Den Uyl, te klagen over de 'Binnenhofse subcultuur'. Daarin zag zij politici optreden in een soort Prinsjesdagtoneel met werkgevers, werknemers en maatschappelijke organisaties. Zij zag hen ronddraaien in cirkels vol zinloze rituelen, ver weg van de burgers, ver ook van haar eigen partij, die destijds graag op veilige afstand van de macht bleef. 'Debatten gaan hier altijd over cijfers, nooit over mensen', vond Ria Beckers die intussen onder andersdenkenden de bijnaam 'de akela van GroenLinks' had verworven.

In 1991, twee jaar voor haar vertrek uit de Kamer, had zij, na volgens haar weer zeer saaie Algemene Beschouwingen, al eens overwogen om een tijdje niet meer aan het parlementaire debat deel te nemen maar in plaats daarvan te staken. Van dat plan werd zij weerhouden door haar fractie, die vreesde dat dit vergaande actiemiddel gemakkelijk contraproductief zou kunnen uitpakken. Ria Beckers zwichtte, al zei zij erbij: 'De fractie heeft me niet overtuigd. Het gaat in Den Haag de verkeerde kant op. Ik denk dat je dat, ook als politicus, veel duidelijker bespreekbaar moet maken. In principe vind ik een dergelijke protestactie nog steeds een goed middel. Maar het punt is dat je zo'n actie natuurlijk niet helemaal op je dooie eentje kunt ondernemen.'

Dat haar hart vooral lag bij de strijd voor het behoud van een goed milieu bleek na haar vertrek uit de politiek opnieuw. Van begin 1994 tot september 2004 was zij voorzitter van de stichting Natuur en Milieu. Voorts had zij nog twee handen vol nevenfuncties in de wereld van natuurbescherming en biologische landbouw. De bijbehorende opvattingen op dat terrein paste het echtpaar Beckers ook toe op de eigen boerenhoeve, met beesten en een kleine boomgaard. Dat betekende dat zij tussen de rivieren in hun Betuwse microkosmos in Wadenoijen meer dan eens harde conflicten met hun agrarische streekgenoten beleefden, compleet met ernstige dreigbrieven ('we steken jullie boerderij in brand'). Bijvoorbeeld wanneer er wegens overstromingsgevaar, zoals in 1993 en 1995, gekozen moest worden tussen ecologische wensen (laat het landschap intact) en veiligheidswensen (verhoog de dijken). Of wanneer gekozen moest worden tussen het telen van biologisch fruit aan zogeheten hoogstambomen, zoals de familie Beckers deed, of aan laagstambomen, dus aan struikjes, waarvan het eenvoudiger oogsten is.

Zo bleef Beckers haar gevecht voor een goed milieu ook in haar privé-leven in een minderheidspositie voortzetten. Opnieuw zachtzinnig maar nog steeds volhoudend dwars.