Hoe de oorlog is verdwenen

Fotografen van het leger hebben het werk van Nederlandse soldaten in Irak vastgelegd. Wat je ziet kan je nauwelijks oorlog noemen. Dat was in Indië wel anders.

Een Nederlandse militair tijdens een patrouille in Ar Rumaythah, twee dagen voor de verkiezingen in Irak. foto Gerben van Es, missie SFIR 5 2004-2005 ©foto Gerben van Es SFIR 5 BRONVERMELDING VERPLICHT In Ar Rumaythah vermaken deze kinderen zich met een Nederlandse militair. Doel van deze patrouille is,om 2 dagen voor de verkiezingen,duidelijk onze aanwezigheid te blijven tonen en daarmee onze betrokkenheid met de lokale bevolking. Op de verkiezingsdag zelf blijven de meeste troepen op de bases. Es, Gerben van

De exposerende fotografen hebben liever niet dat hun naam vermeld wordt. Dat is al meteen curieus. Verder valt onmiddellijk de diepe kleur van de meeste geëxposeerde foto's op - als in een blad over eten, of de schoonheid van verre landen. Nu, om een ver land gaat het zeker. Op de expositie zijn korte audioboodschappen te horen van de vijf fotografen, die vrijwel zonder uitzondering vertellen diep onder de indruk te zijn geweest van de Irakese provincie Al Muthanna. Deze foto's zijn gemaakt door vijf fotografen van de Audiovisuele Dienst van het Nederlandse leger.

Het zijn - ze hebben het liever niet maar wie de tentoonstelling in het Legermuseum bezoekt komt er toch achter - Henri Westendorp, Jens Grijpstra, Rob Gieling, Ruud Mol en Gerben van Es. Allen zijn ze allereerst militair, en daarna pas fotograaf - gebondener kunst is haast niet denkbaar.

Toch heeft de expositie in het Legermuseum in Delft wel degelijk kunstzinnige pretentie. Hier niet de zielloze nieuwsplaatjes van mannen en pantserwagens die week in week uit de Defensiekrant, het weekblad van het leger, sieren en evenmin de meer technische foto's (de situatie na het verkeersongeluk) die militaire fotografen ook maken. Hier is voor mooi gegaan. En mooi, voor een militaire fotograaf, is kennelijk iets met veel kleur en karakteristieke mensen, al of niet in gezelschap van een sympathiek ogende Nederlandse militair.

Ik ben een keer op die legerplaats geweest, nabij de stad As Samawah, toen de Nederlandse militairen daar na een jaartje afscheid namen. Bij die gelegenheid trof me de kleurloosheid van het landschap: lichtbruin stof, aarzelend lichtgroen van miezerig gras, veel grijs. De militaire fotografen hebben iets heel anders gezien. Of heb ik slecht gekeken?

Geen van beide. Zoals de verliefde in zijn lelijke vrouw een wezen zonder weerga kan zien, zo spreekt uit de foto's van de militaire fotografen de fascinatie met hun eigen militaire avontuur. Een avontuur met een duidelijke, Nederlandse militaire ideologie natuurlijk - in defensiekringen graag verwoord met de term “Dutch approach'.

Die benadering is er niet één van de vechtjas - van die ene foto van soldaten achter een mitrailleur begrijp je meteen dat het niet echt is, want de loop staat recht op de camera gericht en alle inzendende fotografen zijn nog in leven. Nee, de uitdrukking Dutch approach geeft de pretentie van Nederlandse soldaten in den vreemde aan, hun werk te doen in nauw, zo ongedwongen mogelijk contact met de plaatselijke bevolking, om wie het immers bij de Nederlandse inspanningen ook gaat - even afgezien van minder goed in beeld te brengen motieven als de wens om op het wereldtoneel een partijtje mee te blazen of bij de Amerikanen in een goed blaadje te komen.

Kinderen

Op meerdere foto's wordt dat contact dus ook krachtig verbeeld: militair neemt met blocnote in de hand de wensen van dorpsoudsten ter kennis, Irakees heft verzaligd de handen ten hemel na de eerste vrije verkiezingen sinds de val van Saddam, militair op straathoek wordt door kinderen omspeeld, militairen rijden in open en ongepantserde jeep over een markt. Hoogtepunt in dit verband is wel die foto van een militair die langs een kantoor met aanhangers van Al Sadr loopt - zoals bekend ziet deze sji'ietenleider de buitenlanders in zijn land liever gaan dan komen en zijn de aanhangers ook bereid gebleken deze verlangens met explosieven en het zwaard kracht bij te zetten. Werpt de Nederlandse militair een handgranaat naar binnen, overweldigt hij de Al Sadr-fans en voert hij ze geboeid af, of scheurt hij ten minste de poster met het portret van de extremistenleider van de muur? Nee, niets van dat al - hij loopt, aan de foto te oordelen moederziel alleen, langs het kantoor, de ogen welhaast zedig voor zich uit gericht en nagestaard door de mannen in de deurpost van het kantoor. Wel een bedreigende situatie, zegt het onderschrift van de fotograaf, maar daarmee doet hij zijn eigen werk onrecht. Ik krijg eerder de indruk dat de afgebeelde Irakezen zich een beetje staan te schamen voor hun extremisme, bij het zien van Hollandse zelfverzekerdheid en tolerantie.

Een idylle was het in Al Muthanna - dat is het beeld dat uit deze foto's oprijst. Zelfs een van de gelegenheden waarbij de Dutch approach faalde, toen vele maanden van zorgvuldig opgebouwd contact met plaatselijke machthebbers en bevolking niet voldoende bleken om ook maar één Irakees de Nederlanders te laten waarschuwen dat vele honderden mannen zorgvuldig een hinderlaag voor de Nederlanders hadden gelegd, verlaat de romantische blik de militaire fotografen niet. Het verwrongen staal van het platgebombardeerde militaire konvooi in het zand - je reinste plastiek. Twee marechaussees wenend in elkaars armen in rouw over hun gesneuvelde kameraad - een pas de deux voor reuzen.

Atjeh

Oorlog kun je dit toch nauwelijks meer noemen -- de Nederlandse militaire inspanning is, voorzover de foto's op de tentoonstelling dat laten zien, van een geheel andere, zeg maar gerust hogere orde. Dat is niet altijd zo geweest natuurlijk in de geschiedenis van de Nederlandse militaire fotografie. Neem de foto's uit de Atjeh-oorlogen rond 1900, toen het toevalligerwijze bij de tegenstander ook al ging om een mengeling van politieke ambitie en politieke islam. De foto's van dat conflict zijn van vér voor de stichting van de Audiovisuele dienst van het leger, maar er waren officieren in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger die schik hadden in fotograferen.

Hoe anders was het zelfbeeld van de militairen uit die tijd: generaal Van Heutz overziet het slagveld, de indrukwekkende buik fier vooruit; een groepje zegevierende militairen in de zojuist veroverde kampong, met aan hun voeten nog duidelijk de ledematen van gesneuvelde, weerspannige inlanders. Ook op die foto's uit Indië is trouwens al een zekere fascinatie voor de pracht der natuur zichtbaar, die een van de fotografen uit Irak een fraaie zonsondergang heeft doen inzenden - overigens met het onderschrift dat dit misschien wel een beetje té is.

Toch zijn die Indische foto's, en meer in het algemeen wat tegenwoordig met een vreselijk woord de “beeldvorming' heet, de militairen van de generatie-Van Heutz slecht bekomen. Al spoedig bleek namelijk dat de gevierde legeraanvoerder in Atjeh een zeer drastische vorm van guerrillabestrijding had toegepast: eerst alle dorpen met bevolking en al verwoesten, en dan eens kijken of er nog verzet overbleef. Daar hielden Nederlanders destijds al niet van, van zulk expliciet geweld. Verguizing was al vlug Van Heutz' deel. En ze houden er nog niet van: wie Nederlanders een goed gevoel wil geven over hun strijdkrachten, moet niet met onversneden geweld aankomen. Zoals de antropoloog Bram de Swaan eens heeft gezegd: in de Nederlandse cultuur is geweld met een “preutsheid' omgeven, die in schril contrast staat met de neiging in sexualibus visueel het volle pond te geven.

De preoccupatie met de beeldvorming is de sleutel tot de kleine tentoonstelling in Delft. Hier toont zich een leger aan den volke dat vervuld is van een nieuw zelfvertrouwen dat het straks mogelijk zal maken de helsgevaarlijke missie in de Afghaanse provincie Uruzgan te volvoeren. Vergeet dat komisch werkende dienstplichtigenleger van weleer, van soldaten met lange haren en oorringetjes, bezig de Noord-Duitse laagvlakte te verdedigen tegen de theoretische Rus, onder leiding van sergeants die maar met moeite orde konden houden. Vergeet ook, tien jaar geleden nog maar, die povere vertoning onder leiding van een laffe snor in Srebrenica - eens komt trouwens vast de dag dat de Audiovisuele Dienst van het leger zijn foto's daarvan zal laten zien.

Nee, de Nederlandse militair anno 2006 is een uitgewogen, zelfverzekerde figuur - tot de tanden bewapend voor als het moet maar tot dat moment minzaam, contactueel vaardig en bovenal weergaloos mooi. Dat komt wel goed in Uruzgan.

Defensiefotografen brengen Irak in beeld. T/m 28 mei in het Legermuseum, Korte Geer 1, Delft. Di t/m vr 10-17 uur, za en zo 12-17 uur.