Hockeyers willen zelf populariteit verzilveren

Hockeyinternationals willen een deal met de bond over hun portretrechten.

Advocaat en oud-hockeyer Diederik Donk (34) voert de onderhandelingen.

Hét voorbeeld van de hedendaagse topsporter die goed “in de markt' wordt gezet? Over die vraag hoeft Diederik Donk niet lang na te denken. “Dennis van der Geest, zonder twijfel. Ik heb niet zoveel met judo, maar zodra hij op tv verschijnt, blijf ik hangen. Die gozer is, mede door zijn optredens in de media, uitgegroeid tot een persoonlijkheid, die inmiddels een goede boterham verdient.“

En waarom zou de gemiddelde hockeyinternational geen voorbeeld aan Van der Geest kunnen nemen, zo vraagt Donk, advocaat in Amsterdam, zich af. “We praten hier over topsporters met een grote staat van dienst, mensen met één of meerdere olympische medailles achter hun naam. Maar niemand kent ze. Ja, het grote publiek weet wie Teun [de Nooijer] en Fatima [Moreira de Melo] zijn, en een enkeling kent Floris [Evers] misschien ook nog. Maar dan heb je het wel gehad.“

Namens de mannen- en vrouweninternationals voerde Donk, gespecialiseerd in intellectueel eigendomsrecht, de afgelopen twee jaar onderhandelingen met de Nederlandse hockeybond (KNHB). Inzet van het juridische steekspel: de portretrechten, bedoeld voor commerciële doeleinden. Wie mag de zogeheten “verzilverbare populariteit' van het Nederlands elftal exploiteren, de bond of de spelers?

Voor Donk is dat geen vraag. “Juridisch gezien liggen die rechten bij de hoofdrolspelers, bij de internationals dus, dat is de discussie niet.“ Toch lagen die rechten acht jaar lang (1996-2004) bij de bond. Donk: “Met als gevolg dat de spelers al die tijd beperkingen zijn opgelegd, terwijl de bond niets met die exploitatiemogelijkheden heeft gedaan. Dan is de vraag: waarom heb je die portretrechten dan en waarom wil je die vervolgens per se behouden?“

Al maanden slepen de onderhandelingen zich voort, maar het einde van het getouwtrek lijkt in zicht: beide partijen hopen eind deze maand een akkoord te sluiten. Met als belangrijkste uitkomst dat de hockeyers voortaan zelf hun imagerechten beheren, zonder daarbij de sponsorbelangen van de bond te schaden. In de voorgestelde constructie neemt een sportmarketingbureau de exploitatie van de portretrechten van de Nederlandse selecties voor zijn rekening, en wordt een spelersfonds in het leven geroepen.

In hockeykringen is al meer dan eens geopperd dat de spelers uit zijn op financieel gewin, over de rug van de bond. Aanvoerder Jeroen Delmee weerlegt die suggestie met klem. “Wij zijn geen geldwolven. Waar het om gaat is keuzevrijheid; wij willen niet aan de ketting liggen, zeker niet als blijkt dat sommige bedrijven wel degelijk geïnteresseerd zijn in ons, of in sommigen van ons.“

Volgens Donk is Delmee het beste voorbeeld van een hockeyer, die altijd alles voor zijn sport opzij heeft gezet en daar maatschappelijk de tol voor heeft moeten betalen. “Hij heeft nu dankzij zijn club (Den Bosch, red.) een baan, die hij kan combineren met tophockey. Maar Jeroen is nu 33, hij wil ook wel eens een huis kunnen kopen. Al die jaren heeft hij moeten leven van het salaris van NOC*NSF (910 euro bruto per maand).“

Donk vraagt niet om medelijden, maar om medewerking. “Van de spelers wordt steeds meer trainingsarbeid gevraagd. Prima, maar zorg er dan ook voor dat ze in een positie komen dat ze financieel in staat zijn om tegemoet te komen aan die alsmaar toenemende eisen. Werk aan hun marktwaarde, zorg voor exposure en koppel de vergoeding los van de prestaties, want als het een keer tegen zit, staan ze meteen met lege handen.“

Donks bemoeienis met het Nederlands elftal begon twee jaar geleden, toen de oud-hockeyer van HDM en Rotterdam op verzoek van strafcornerspecialist Taeke Taekema de door alle A-internationals “verplicht' ondertekende overeenkomst tegen het licht hield. Zijn conclusie? “Wurgcontract is een groot woord, maar het is wel een zéér eenzijdige overeenkomst. Iedere jurist zal beamen dat het op z'n zachtst gezegd vreemd is, dat in vier aparte artikelen is geregeld dat de bond de exclusieve rechten heeft om spelers in te zetten voor commerciële doeleinden. Toch kwam de bond daarmee weg.“

Dat was deels eigen schuld. In al die jaren hebben spelers en speelsters van de nationale ploegen hun krabbel gezet zonder zich daadwerkelijk te verdiepen in de inhoud van de overeenkomst. Donk, in zijn vrije tijd coach van overgangsklasser Voordaan, verdedigt die naïviteit. “Je bent blij dat je bent geselecteerd, en het document wordt door de bond gepresenteerd als een formaliteit, dus ja, wat doe je? Tekenen, want dat doet iedereen.“