Grote opruiming

Veel Nederlandse musea zijn hun depots aan het opruimen en stoten overtollige kunstwerken af. Maar de regels zijn niet eenduidig. “Als musea van de opbrengst ook restauraties mogen betalen, bevinden we ons op een hellend vlak.“

Museum de Lakenhal in Leiden foto Roel Rozenburg Leiden: 23.3.6 Museum de Lakenhal, verzameling schilderijen, in het depot. © foto, Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Jetteke Bolten-Rempt, directeur van het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden, is “apetrots' op haar pas gerenoveerde, “wonderschone depots'. Terwijl ze een zware deur ontsluit zegt ze: “Dit was een stoffige zolder, nu is alles fris en op orde en is er een perfecte klimaatbeheersing.“ Ze opent lades vol wollen dekens en andere overblijfselen van de Leidse textielindustrie en toont hoe netjes de stofstaaltjes tussen zuurvrij papier zijn opgeborgen. We lopen langs rekken met aardewerk, schilderijen en reclameborden, langs het roer van een kruitschip - het restant van de Leidse kruitramp uit 1807 - antieke wc-potten en een nieuwe fiets van een Leidse ontwerper, de Expresso van Gazelle uit 2000.

De collectie van De Lakenhal bestaat uit 30.000 inventarisnummers, waarvan sommige hele series omvatten. In de nieuwe depots op de zolders en in de kelders van het museum zijn de meest kwetsbare stukken en de kostbaarste schilderijen opgeslagen. Voor de meubels, weefgetouwen, moderne beelden en schilderijen is hier geen plaats, die zijn elders ondergebracht. Zoals veel Nederlandse musea kampt ook De Lakenhal met een gebrek aan depot- en museumruimte. Dus zijn er ambitieuze uitbreidingsplannen. Bolten-Rempt: “Het wordt een groot project met nieuwbouw voor het museum, winkels en een hotel. De Europese aanbesteding voor een architect is net begonnen. Als alles doorgaat komen er ook depots bij en zijn de ruimteproblemen opgelost.“

Toch heeft De Lakenhal plannen om de collectie “beter te profileren' en een deel weg te doen: “We hebben alle stukken bekeken en geregistreerd en nu moet intern een discussie in gang gezet: wat past niet in ons profiel? We hebben verzamelingen kinderspeelgoed, koekplanken, kachels en oosterse tapijten waarvan we nu al weten dat we die willen afstoten. Ik vind niet dat we alles moeten opruimen, het kacheltje dat hier in Leiden in de hongerwinter werd gebruikt zal ik niet afstaan, maar voor een hele collectie kachels is dit museum niet de aangewezen plaats. En van de 25 oosterse tapijten die ooit zijn aangekocht om het museum aan te kleden, willen we alleen de zes meest bijzondere houden. Als de gemeenteraad ermee instemt, doen we de andere tapijten weg, hopelijk al volgend jaar.“

De Lakenhal is een van de vele musea in Nederland die begonnen zijn met een grote opruiming. De meeste musea zijn nog in een voorbereidende fase, bij sommige is het proces al afgerond.

Het Haags Gemeentemuseum deed eind jaren negentig 1.100 kunstnijverheidsvoorwerpen weg, een groot deel ging naar andere musea, het overige werd via de kunsthandel verkocht. In maart vorig jaar organiseerde het Haags Gemeentemuseum, samen met Sotheby's, de eerste museumveiling in Nederland, waarbij zo'n 50 schilderijen van de hand werden gedaan. Deze maand volgde het Centraal Museum in Utrecht met een expositie van 1.400 kunstwerken waar het vanaf wilde en daarop aansluitend een veiling, eveneens door Sotheby's. Het Museumgouda exposeerde vorig jaar 100 van de 3.000 museumstukken die het in de aanbieding deed, variërend van sculpturen en schilderijen tot koorbanken en pijpen. Een deel is inmiddels overgenomen door andere musea, het restant zal in september worden geveild. In het Fries Museum in Leeuwarden is inmiddels ook een selectieprocedure gestart. Of het daar tot een veiling zal komen, is nog onzeker. Saskia Bak, hoofd collecties van het museum: “We worden regelmatig gebeld door veilinghuizen, maar dan zeggen we: we zijn nog niet zover. Bij alles wat we willen afstoten kijken we eerst of andere Friese musea belangstelling hebben, daarna komen de musea elders aan de beurt en wat dan over is, kan misschien worden geveild.“

Het Rijksmuseum Twenthe heeft volgens directeur Dorothée Cannegieter “behoorlijke depotproblemen' en 160, voornamelijk expressionistische, twintigste-eeuwse schilderijen die niet meer in de collectie passen, komen wat haar betreft in aanmerking om weg te doen. Daar wordt nu over nagedacht.

Niet alleen de musea zijn bezig met het uitdunnen van hun collecties, ook het Instituut Collectie Nederland (ICN), dat de rijkskunstcollectie beheert, bereidt een grootscheepse opruiming voor. Naar schatting 50.- tot 70.000 van de 140.000 voorwerpen uit de depots van het ICN zullen worden afgestoten. (Het woord “wegdoen' wordt in museumkringen nooit gebruikt, dat heet hier: afstoten, opschonen, ontzamelen, herschikken of uitplaatsen). De selectie is nu in volle gang. Nadat de musea hun keuze hebben gemaakt uit het aanbod, wil het ICN volgend jaar de overgebleven stukken - kunst, toegepaste kunst en meubels - veilen. Die veiling, waarvoor het project “Veilig Veilen' is opgezet, moet een opzienbarend evenement worden waarmee een voorbeeld wordt gesteld aan musea en overheden voor het afstoten van openbaar kunstbezit.

Boekenplankje

De econoom Rick van der Ploeg, van 1998 tot 2002 staatssecretaris van Cultuur, had een studievriend met een boekenplankje. Telkens als de vriend een nieuw boek kocht, deed hij een oud boek weg. Als hij hier altijd mee doorging, zou hij aan het eind van zijn leven de voor hem meest waardevolle boeken op zijn plankje hebben. Van der Ploeg vertelde het boekenplankjesverhaal in november 1999 op het Museumcongres Grenzen aan de groei, dat georganiseerd was door het ICN. Op dit congres spraken museumdirecteuren en -conservatoren twee dagen lang over het afstoten van museumbezit, een onderwerp dat volgens de congreskrant die het ICN na afloop uitgaf, “in de museumwereld jarenlang gelijk stond aan heiligschennis'.

Van der Ploeg vond dat de musea een voorbeeld moesten nemen aan zijn studievriend. De collecties waren almaar uitgedijd en de conservering was onbetaalbaar geworden. Hij had uitgerekend dat “het goed verzorgen van een museaal voorwerp in een depot tussen de vijftig en honderd gulden per jaar kost', gemiddeld zo'n 35 euro. Hij waarschuwde dat het budget van de overheid voor ons culturele erfgoed niet veel hoger zou worden, terwijl het aantal instellingen dat in de “schaarse middelen' wil delen alleen maar toeneemt.

Ook in zijn nota Cultuur als confrontatie, die in juni 1999 verscheen, een paar maanden voor het congres, had Van der Ploeg er al op gehamerd dat de musea te veel spullen bewaarden: “Naarmate museumcollecties in waarde stijgen, wordt het zinvoller om financieel-economische overwegingen te betrekken bij de keuze tussen bewaren, exposeren of verkopen.“

Op het congres Grenzen aan de groei vond Van der Ploeg een gewillig oor voor zijn ideeën over het openbreken van de museumdepots. Achteraf bezien vond op dit congres in 1999 een omslag plaats in het denken over het beheer van museumcollecties. De congreskrant beschrijft hoe “een vlaag van opwinding door de zaal' ging en “de adrenaline omhoog spoot' toen de 400 aanwezige museummedewerkers voor of tegen afstoting stemden en iedereen, op twee mensen na, vóór bleek te zijn. Nu werd duidelijk dat er geen taboe meer rustte op het verwijderen van voorwerpen uit museumcollecties.

In 1990 had het onderwerp ook al eens ter discussie gestaan op een bijeenkomst in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Daar onderschreven alle sprekers uit de museumwereld het standpunt van het Stedelijk: Afstoten? “Het kan niet, het mag niet, het hoort niet.“ En tweede- of derderangs kunstwerken? “Nee, nee en nog eens nee“, was toen het eensgezinde antwoord.

Het ICN heeft zich flink ingespannen om deze houding te veranderen. Het Instituut Collectie Nederland werd op 1 januari 1997 door het ministerie van OCW opgericht om de rijkscollectie te beheren en de musea te adviseren over de conservering van hun verzamelingen. Maar het ICN moest ook zorgen voor een “nationaal collectiebeleid': de museumcollecties moesten op elkaar worden afgestemd en elkaar minder overlappen. In 1990 had minister van Cultuur Hedy d'Ancona de term “Collectie Nederland' geïntroduceerd: het totaal van alle museumcollecties. Die moesten één geheel vormen en dat kon alleen maar als de musea meer zouden samenwerken, als ze onderling objecten zouden ruilen, lenen en schenken en niet meer allemaal dezelfde moderne kunst zouden aankopen.

In de loop van de jaren negentig werd steeds vaker de mening verkondigd dat de Collectie Nederland veel te groot was en onbeheersbare proporties had gekregen. Een deel moest weg. Daarom stelde het ICN in samenwerking met de Nederlandse Museumvereniging in 2000 de Leidraad voor het afstoten van museale objecten (Lamo) op, een uitvoerig protocol voor het op een rechtmatige manier afstoten van museumbezit door verkoop, schenking, ruil of vernietiging. Nu de grote kunstverhuizing in Nederland op gang is gekomen wordt de Lamo door alle musea als handleiding gebruikt bij het wegdoen van “overtollige' voorwerpen. Maar die handleiding blijkt nog niet helemaal eenduidig te zijn.

Hypocriet

Volgens de Lamo mag de opbrengst van een voorwerp dat door een museum wordt verkocht alleen worden besteed aan een nieuwe aankoop of aan een restauratie van een werk uit de collectie. Het Haarlemse Frans Halsmuseum kwam eind vorig jaar met het plan om het schilderij De tekenles van Michael Sweerts (1624-1664), dat een waarde heeft van naar schatting zes miljoen euro, te verkopen voor de financiering van een nieuw depot. De opslagruimtes van het museum verkeren in een erbarmelijke staat, de gemeente Haarlem wil maar een deel van de kosten voor een nieuw depot betalen en vond dat het Frans Hals maar iets moest verkopen.

Maar die verkoop kan wat de Lamo betreft dus niet door de beugel. Er werd dan ook alom verontwaardigd op het plan gereageerd. Staatssecretaris van Cultuur Medy van der Laan verzocht de gemeente Haarlem de verkoop “in heroverweging te nemen'. De kwestie zal nu worden voorgelegd aan de nieuwe gemeenteraad.

Dorothee Cannegieter van het Rijksmuseum Twenthe vindt de verontwaardiging over de Haarlemse verkoop hypocriet: “De Lamo schrijft voor dat het geld van een verkoop ten goede moet komen aan de collectie. Je kunt goed beargumenteren dat een fatsoenlijk depot daar ook onder valt, dat is immers noodzakelijk voor de conservering. Ik vind de regels onduidelijk, waarom stelt de Lamo niet dat het geld van een verkoop alleen voor nieuwe aankopen gebruikt mag worden? Als musea er ook restauraties van mogen betalen, bevinden we ons op een hellend vlak.“

Het ICN is het daar niet mee eens. Arjen Kok, adviseur collectiebeheer bij het ICN : “De opbrengst van een museumverkoop moet ten goede komen aan de eigen collectie, het kan dus ook voor een restauratie worden aangewend. Daar ligt voor ons de grens. Maar veel museumcollecties zijn eigendom van gemeenten en die willen vaak zelf bepalen hoe het geld uit verkopen wordt besteed. Daarom zijn we nu in gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. We proberen de gemeenten en andere overheden zover te krijgen dat ze de Lamo onderschrijven. We willen voorkomen dat er vaker situaties ontstaan zoals nu in Haarlem. De musea geven zelf aan dat ze delen uit hun collecties willen veilen, en dat bevorderen we. Maar dan moeten gemeenteraden niet gaan roepen dat het gat in de begroting wel gedekt kan worden door een verkoop.“

De Lamo schrijft ook voor dat musea kunstwerken die ze kwijt willen eerst aan andere openbare verzamelingen moeten aanbieden. In 1999 wilde Chris Dercon, de toenmalige directeur van het Rotterdamse Museum Boijmans van Beuningen, een schilderij van Mark Rothko voor zo'n drie miljoen euro op de markt brengen. Volgens de Lamo zou dat alleen kunnen als hij het doek eerst aan andere Nederlandse musea had aangeboden en die zouden er zeker belangstelling voor hebben gehad. Maar wat is “aanbieden'? Is dat schenken of kan het ook verkopen zijn?

Het Centraal Museum bood de 1.400 kunstwerken waar het vanaf wilde voordat er geveild werd aan andere musea aan, maar rekende wel 100 euro administratiekosten per werk, een bedrag dat bij de prenten en tekeningen vaak boven de marktwaarde lag. Het Museumgouda, dat de prenten en tekeningen graag had willen overnemen, moest hier van afzien omdat de administratiekosten te hoog waren. Dit lijkt niet te rijmen met de Lamo.

In januari maakte het Rijksmuseum bekend het doek van Sweerts van het Frans Halsmuseum te willen kopen en het vroeg daarvoor een bijdrage uit het Nationaal Aankoopfonds. Maar eind februari bleek die koop niet door te gaan. Zo'n verkoop van de ene naar de andere openbare collectie, waarbij geld uit het Aankoopfonds langs een omweg voor depotverbetering gebruikt zou worden en niet voor uitbreiding van het openbaar kunstbezit, zou ook een vreemde figuur zijn geweest. De directeur collecties van het Rijksmuseum, Peter Sigmond, zegt dat dit precies de reden was om van de aankoop van het doek van Sweerts af te zien: “Ja, het is raar als de ene overheid aan de andere overheid geld betaalt om een kunstwerk in dezelfde situatie te houden: in het zicht van het publiek.“ Het Rijksmuseum stoot regelmatig stukken uit de collectie af, maar altijd door schenking of bruikleen aan andere openbare verzamelingen. Er wordt nooit iets verkocht.

Het ICN heeft geen bezwaar tegen onderlinge verkopen door musea, zolang de opbrengst ten goede komt aan de collecties en niet aan depots. Arjen Kok: “Maar we geven de voorkeur aan schenkingen of bruiklenen tussen de musea.“

Veilinghuizen

Kok, die bij het Instituut Collectie Nederland het project “Veilig veilen' leidt, weet nog niet zeker wat in 2007 met de opbrengst van de grote ICN-veiling zal gebeuren. “Ik denk dat het ICN er een eigen aankoopfonds mee zal vormen. Ja, dat is nieuw, het ICN heeft geen aankoopbudget. Het is ook mogelijk dat de opbrengst wordt toegevoegd aan het fonds dat bedoeld is voor de handhaving van de Wet Behoud Cultuurbezit. Daarmee kon het rijk onlangs de Ritmancollectie aankopen.“

Van het afstoten van museumvoorwerpen en het “herschikken' van de collecties profiteren vooral de kleinere musea in Nederland. De laatste jaren zijn al veel voorwerpen van de grote musea als bruikleen of schenking naar oudheidkamers en andere kleine, regionale musea verhuisd. Maar ook de kunsthandel en de veilinghuizen spinnen garen bij de grote opruiming.

Vooral Sotheby's spant zich in om de museumveilingen in de wacht te slepen. Het veilinghuis is volgens woordvoerster Diana Ridderikhoff “met een aantal musea in gesprek', ze wil niet zeggen met hoeveel. “Steeds meer musea overwegen een veiling en wij zijn ze daar graag behulpzaam bij.“

Arjen Kok beaamt dat veilinghuizen weleens druk uitoefenen op musea: “Het zijn commerciële ondernemingen die zoveel mogelijk willen omzetten. Het ICN verwacht van de veilinghuizen dat ze de museumcollecties niet uitsluitend als lucratieve handel zien, maar ook oog hebben voor het maatschappelijk belang van die collecties. Daarom zullen we met de veilinghuizen overleggen hoe ze met musea horen om te gaan.“

Wim Beeren schreef als directeur van het Stedelijk Museum in 1989 in het Museumjournaal: “Verkoop uit gemeenschapscollecties vind ik een vorm van geweld en van diefstal. Men deformeert een creatie en men ontvreemdt. Ik vind dat dit vraagt om strafmaatregelen.“ Voor die mening zou hij nu weinig medestanders meer vinden. Toch is het Stedelijk Museum nog altijd tegen museumverkopen. Woordvoerder Maarten Bertheux: “Er is geen enkele verandering in ons standpunt en we hebben dus geen plannen voor verkoop. Wij beheren de collectie van de stad Amsterdam, we hebben uitstekende depots en we doen niets weg.“