De gerstekoek en wat ervan komt

Volgens Van Dales Groot Woordenboek der Nederlandse Taal is een kakofonie “een geheel van vele slecht samen klinkende klanken'. Wie dus Kakafonie kiest als de titel van een encyclopedisch werk, zelfs al is het via de omweg van de woordspeling, haakt naar de positie van underdog. Dat Gerrit Komrij zich met zijn uitbundig vormgegeven “Encyclopedie van de stront' nog altijd een onderliggende partij voelt, wordt nog duidelijker door de inleiding. Daarin rept “uw opperpoeper' van “het laatste taboe' dat doorbroken zou worden door dit boek: “De laatste drempel van de moralisten is nu geslecht'.

Is dat ook zo? Was er werkelijk een taboe en zijn de moralisten met deze Kakafonie werkelijk naar de marge verdrongen? Of is dit boek een toonbeeld van repressieve tolerantie, een werk waarin een beetje wordt toegegeven, maar dat er uiteindelijk alleen maar toe dient de stabiliteit en de status quo te beschermen?

Komrij's Kakafonie heeft in zijn mooie, 19de-eeuws aandoende vormgeving wel wat weg van de Dikkevandam, het grote eetboek van Johannes van Dam, dat afgelopen december een bestseller werd. Zoals de boeken ook in thematiek verwant zijn. De encyclopedie van de stront is onderverdeeld in tien afdelingen (Geest, Lichaam, Daad, Stof, Beweging, Habitat, Lifestyle, Satire & nonsens', “Stront en het boek' en een lexicografie) waarbij er vooral in het begin alles aan wordt gedaan om poep zo normaal mogelijk voor het voetlicht te brengen. Dus lezen we Ezechiël 4:10-12 (“En gij zult een gerstekoek eten, en die zult hij met drek van 's mensen afgang bakken voor hunne ogen'), Rabelais, Shakespeare, Dante, Freud, Dalí en Komrij zelf, zij allen spreken vrijmoedig over stront. En Michel de Montaigne, die zichzelf vergeleek met een edelman die uitsluitend over zijn eigen uitwerpselen kon praten: “In het onderstaande vindt men, iets beschaafder, de uitwerpselen van een bejaard brein, soms hard, soms slap, maar altijd slecht verteerd.'

Voor dergelijke rustige woorden over poep is vooral het eerste deel van het boek - dat de ware liefhebber natuurlijk niet stukje voor stukje, maar van voor naar achter leest - een schatkamer zonder weerga. Want ondanks het door Komrij bespeurde laatste taboe is er zeer veel en zeer goed onderzoek gedaan. Bijvoorbeeld door Harry van der Bruggen, die in 1991 promoveerde op de stoelgang en wat daar zoal bij komt kijken. Van den Brugge klokte de tijd van zijn proefpersonen op de pot (3:54 minuten gemiddeld) en classificeerde de productie (“De keutel is over all de grote winnaar met een aandeel van 46 procent, de brij sluit de rij met 17 procent').

Talloze wetenswaardigheden komen aan de orde, zoals de flatulentiegraad van bonen die het hoogst is bij sojabonen en afloopt richting bruine bonen, zwarte bonen, pintobonen en Californische kleine witte bonen. Kikkererwten (achtste plaats) en oogboontjes zetten nauwelijks zoden aan de dijk, maar dat zijn ook geen echte bonen, volgens onderzoeker Dr. Louis B. Rockland. Of, ouder, de werking van stront als geneesmiddel zoals neergelegd in Paulini's Dreck-Apotheke uit 1696: “Een beetje stront in de mond is een probaat middel tegen kiespijn'.

Daarbij komen nog de talloze literaire fragmenten, van het wc-opschrift uit het huis van Adriaan Roland Holst te Bergen (“Gelieve drollen langer dan een meter rechtop in de hoek te zetten') tot de enkele jaren geleden door Komrij ontdekte Zuid-Afrikaanse Lof der Stront (ca. 1830) van 300 strofen: “Wat is 't een heerlijk ding dat kakken,/ Het is een zeer gewichtig punt/ Wat baart u geld, duizend gemakken,/ als gij toch maar niet kakken kunt.' Klassiekers als het aarsgedicht van Rimbaud en Verlaine ontbreken niet, evenmin als het modern-klassieke verhaal “Poep' van Manon Uphoff. Opmerkelijk is trouwens dat het maar zelden echt vies wordt, of het moet bij het poephappen in het werk van De Sade zijn.

Het is veel en het is goed. Maar het is niet alles. Want een landmark voor de jongere belangstellende zoals Ome Willem, de man die een hele generatie aan het Broodje Poep kreeg, komt slechts in de marge aan de orde. Hetzelfde geldt voor de voor de invloedrijke fenomenologie uit 1990 Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft. Het prachtige verhaal “Rauwe delicatessen' van Arnon Grunberg - over inzicht door uitwerpselen - ontbreekt helemaal, evenals het memorabele slot van García Márquez' De kolonel krijgt nooit post. Zoals er ook in het werk van Willem Frederik Hermans meer te vinden is dan de man uit de preambule van Paranoia, die al zijn maaltijden vóór en na digestie op de foto zette. Geweldig plan, trouwens.

Nu is volledigheid een criterium dat je aan geen boek kunt opleggen, zelfs niet aan een encyclopedie van de stront, maar er kleeft wel een ander belangrijk bezwaar aan Komrijs werkwijze: hij heeft een grote voorkeur voor indirecte bronnen. Zo citeert hij veel uit krantenberichten, toneel- en televisierecensies, fragmenten over grote schrijvers en zo meer. Dat is op den duur onbevredigend. Het is alsof je steeds geconfronteerd wordt met gebruikte stukjes wc-papier. Daar is veel interessants uit af te leiden, maar liever steek je natuurlijk je neus in de pot zelf.

Die werkwijze schept soms ook verwarring. Want als je in een stukje van Salvador Dalí leest dat Montaigne heeft geschreven dat Augustinus een groot petomaan was, wil je weten hoe Montaigne dat heeft geschreven. En of het wáár is, of tenminste: waar hij het uit heeft afgeleid. Je zou Komrij meer tijd of een uitgebreider team van fact checkers toewensen.

Het belangrijkste probleem van Komrijs Kakafonie is echter dat hoe meer kleine stukjes je tot je hebt genomen, hoe meer je ook gaat verlangen naar een grote synthese. Want wat heeft de jarenlange studie Komrij nu werkelijk geleerd? Is de liefde voor uitwerpselen nu een kwestie van zelfhaat (want het is afval) of van ijdelheid (want je bent het zelf)? De conjunctuur van schaamte en schaamteloosheid over de uitwerpselen door de eeuwen heen wordt wel aangeroerd, maar ook niet uitgewerkt. Is poep inderdaad beschamender dan plas? Komrij's Kakafonie bevat alle ingrediënten voor een prachtboek, maar mist iemand die alles samenbrengt en van een nieuwe betekenis voorziet. De symfonie, zogezegd.

Dat is des te spijtiger omdat juist het fragmentarische karakter van deze kakofonie het ludieke aspect van een strontencyclopedie benadrukt. Zoveel korte stukjes waarin even geraakt wordt aan grote lachopwekkers; het maakt de encyclopedie van de stront een boek om veel bij te lachen, maar daarmee ook een soort moppenboek. Voor je het weet neemt iemand het mee naar de wc. En dat kan Komrij toch onmogelijk voor ogen hebben gestaan. Want het lachen om poep is het bevestigen van het taboe, het kinderlijke gegrinnik waar Komrij juist vanaf wilde (al zijn er kinderen die de vraag naar keutels of grote hoop als een doodserieuze zaak beschouwen). Zo zit de opzet van zijn boek het doel uiteindelijk stevig in de weg en lachen de veel gesmade moralisten in hun vuistje.

Of, waarschijnlijker, trekken zij zich schielijk terug op het gemak. Want Komrij's Kakafonie trekt niet alleen de lach aan. Het is ook een boek waarvoor een oude wijsheid geldt: erover lezen is leuk, maar dat haalt het niet bij de daad zelf.

Komrij's Kakafonie. Encyclopedie van de stront. Samengesteld en ingeleid door Gerrit Komrij. De Bezige Bij, 328 blz. euro 29,90