De beul is echt veel interessanter

In de Vlaamse krant De Morgen stond onlangs een interessant stuk van de Gentse filosoof Frank Vande Veire naar aanleiding van rellen om de Deense cartoons. Vande Veire verdedigde niet de vrijheid van meningsuiting, noch verketterde hij de moslim-extremisten, maar hij analyseerde de laatsten als zijnde “geïntimideerd' door de westerse hedonistische levensstijl. Hun eigen geloof daarentegen leed aan een “innerlijke leegte' - wat door niets beter werd bewezen dan door hun “obsessionele aandacht' voor de manier waarop ze door de “ongelovige Ander' werden voorgesteld. De gekrenktheid was, kortom, geen teken van kracht maar van zwakte, net als trouwens de westerse trots op de eigen cultuur die pas weer ontwaakte nadat zich een vijand had aangediend.

Het stuk had zo in Neem en eet, dit is je lichaam gekund, Vande Veire's nieuwe essaybundel, met als ondertitel “Fascinatie en intimidatie in de moderne cultuur'. Niet alleen de moslims worden door de westerse cultuur “geïntimideerd', zo blijkt, voor ons westerlingen geldt precies hetzelfde. Denk maar aan de voortdurende eis van het leven te “genieten' (het gewraakte hedonisme zou dus zelf een vorm van intimidatie zijn) of aan het dagelijkse informatie-bombardement van onze media.

Zulke inzichten of observaties verraden de cultuurcriticus. Vande Veire stelt zich inderdaad op als een cultuurcriticus oftewel als een intellectueel (het verschil lijkt bij hem te verwaarlozen), maar hij denkt ook terdege na over zijn eigen positie, waardoor alle naïviteit ontbreekt. Zijn kritiek is scherp en fel, maar tegelijkertijd realiseert hij zich heel goed óók deel uit te maken van wat hij bekritiseert. Op goedkoop moralisme zul je hem niet betrappen.

Zelf spreekt hij over de “hyperbolische verantwoordelijkheid' van de intellectueel; dat suggereert een - letterlijk - mateloze betrokkenheid. Neem de holocaust. Het kost niets om te zeggen dat zoiets vreselijks nooit meer mag voorkomen, betoogt Vande Veire, maar daarmee ontken je impliciet dat het alweer kan zijn voorgekomen. Om het jezelf minder makkelijk te maken zou je je niet zozeer moeten identificeren met de slachtoffers als wel met de “beulen', want alleen dan kan het mechanisme zichtbaar worden dat de massamoord heeft mogelijk gemaakt en dat misschien nog steeds bestaat.

“Er is wellicht geen serieuze cultuurkritiek die niet ergens gedragen wordt door het lastige besef van een soort medeplichtigheid aan de toestand, die wordt bekritiseerd, een medeplichtigheid die aan elke schuld voorafgaat,' schrijft Vande Veire. Ik zou zeggen: dan bestaat er dus heel veel niet-serieuze cultuurkritiek, maar die van Vande Veire hoort daar niet bij. Dat blijkt ook uit zijn wantrouwen jegens de “authentieke ervaring' die ons door de media zou zijn afgepakt, of jegens het “romantisch-vitalistisch cultuurideaal' uit naam waarvan Nietzsche de moderne tijd te lijf ging. In weer een ander essay krijgt de “esthetische ideologie' uit de zak, met haar pretentie dat de kunst als enige in onze door abstracties beheerste tijd nog rechtstreeks contact kan maken met de werkelijkheid. Voor Vande Veire bestaan dergelijke uitwegen niet.

In overeenstemming met de al genoemde “medeplichtigheid' kiest hij liever voor een al dan niet “parodistische' identificatie met de media (bijvoorbeeld in de vorm van een vermakelijke analyse van het tv-journaal als christelijk ritueel) om zo hun inherente vreemdheid - die ons stiekem toch al fascineert - te laten oplichten. De vreemdheid zit bovendien ook in onszelf, wij zijn geen wezens uit één stuk, en juist dat ontkennen de media met hun illusoire “compleetheid'. Er bestaat misschien geen “authentieke' ervaring, maar er is wel een wezenlijk “tekort' (van wat we in het echt meemaken ontglipt ons tenslotte zoveel) dat in de gemediatiseerde ervaringsillusie wordt weggepoetst. Om het heel simpel te zeggen: voor onze fundamentele eindigheid is in de moderne mediacultuur geen plaats.

Vande Veire heeft het over het “singuliere' in de mens, dat wat zich nooit laat invoegen, nivelleren of universaliseren, maar dat we nooit zouden mogen negeren, ook al doorkruist het elke illusie van volmaaktheid. Aan de andere kant moeten we dit “singuliere' ook weer niet gaan idealiseren. De ware intellectueel blijft bij Vande Veire de klassieke humanistische waarden van vrijheid en rechtvaardigheid trouw, hoewel hij weet dat ze niet het alleenrecht hebben.

Dat weet hij vooral dankzij de kunst en de literatuur, die zich op dit punt minder scrupules kunnen veroorloven. Maar de intellectueel kan die kunst en literatuur wel voor zijn cultuurkritische karretje spannen, en dat is wat Vande Veire in deze bundel doet. Enige “hysterische' overdrijving neemt hij graag voor lief, ervan overtuigd dat juist daardoor de “crisis' en het “onbehagen' van de moderne tijd scherper in zicht kunnen komen.

Zo gaat hij aan de haal met Freuds Totem und Tabu, met Dostojevski's Aantekeningen uit het ondergrondse, met Gombrowicz' De pornografie. Deze laatste roman komt, ter illustratie van de fascistische cultus van de jeugd, aan bod in een van de vier essays over Pasolini's laatste film Salò, gebaseerd op Sade's 120 Dagen van Sodom. De film blijkt niet alleen over het fascisme te gaan, maar ook over de huidige consumptiemaatschappij, waarin een vergelijkbaar samenspel van intimidatie en fascinatie zich voordoet. En dat is niet het enige: in het kielzog van denkers als Lacan en Zizek komt Vande Veire ook met een psychoanalytische verklaring voor het onbehagen dat door dit samenspel wordt opgewekt. Als we hem en zijn zegslieden mogen geloven zijn de lust en het genot waartoe we geïntimideerd worden namelijk niet iets van onszelf; we zouden er oorspronkelijk mee hebben kennisgemaakt via het genot van de Ander (de moeder?) en sindsdien worden we door die raadselachtige Ander en haar of zijn superieur gewaande genot “bespookt'. Vandaar dat de intimiderende media zo'n makkelijke prooi aan ons hebben.

In hoeverre dit allemaal waar is, lijkt me afhankelijk van de mate waarin men bereid is mee te gaan met Lacan en de zijnen. Mij is bijvoorbeeld Vande Veire's reductie van de hele fascistische ideologie tot sadistische machtswellust veel te gemakkelijk. Maar dit bezwaar geldt ook een beetje voor de hele psychoanalyse. Hoe kronkelig en onnavolgbaar haar wegen soms ook mogen zijn, met haar pretentie voor bijna alles een sluitende verklaring te hebben vloekt zij onwillekeurig met Vande Veire's niet genoeg te prijzen principe om het zich als intellectueel en cultuurcriticus juist niet gemakkelijk te maken.

Frank Vande Veire: Neem en eet, dit is je lichaam. Fascinatie en intimidatie in de hedendaagse cultuur. SUN, 372 blz. euro 36,50