'Werk is overal hetzelfde'

De Poolse Alojzy Protzek werkt aan de lopende band in een vleesfabriek. Contact met Nederlanders in zijn omgeving heeft hij nauwelijks. 'Uit Polen neem ik brood, worst en vlees mee naar Nederland.'

Alojzy Protzek vindt zichzelf een oude man. De 57-jarige Pool komt er telkens op terug.

Om uit te leggen waarom hij aan de verpakkingslijn staat van de vleesfabriek Vion (het vroegere Dumeco) in Boxtel, en niet de schouders- en hammenlijn. 'Die wegen tientallen kilo's, en moeten in hoog tempo aan haken worden gehangen. Dat is te zwaar.' Om te verklaren waarom hij nauwelijks Duits en Engels spreekt. 'In mijn tijd leerden we alleen Russisch op school.' En waarom hij eigenlijk hoopt dat de regering de grenzen voor de Polen en andere Oost-Europeanen voorlopig nog even dicht houdt. 'Dan krijg ik concurrentie van al die jonge Polen zonder Duits paspoort, en ik wil nog een jaar of drie, vier werken hier.'

Protzek heeft wel een Duits paspoort en werkt al anderhalf jaar via het in Oost-Europeanen gespecialiseerd uitzendbureau SBA Euro in Nederland. Hij heeft vroeger altijd in Polen gewerkt - in de kolenmijn, als timmerman, in een kleine vleesfabriek - maar werd werkloos en had als 'oude man' geen kans meer op de arbeidsmarkt. Protzek heeft ook korte tijd in Duitsland gewerkt als uitzendkracht, voor hij naar Nederland kwam. 'Verschillen? Ach, het werk is overal hetzelfde', zegt de wat verlegen man.

Protzek werkt bij Vion wel met Nederlandse collega's, maar hij is nog nooit bij een Nederlander thuis geweest. 'Ik ben nooit uitgenodigd. In Nederland zeggen mensen alleen 'hallo' en 'dag' tegen elkaar in de fabriek, en in het dorp. Dat is in Polen wel anders.' Er was één collega die wel toenadering zocht. 'Maar dat strandde op het taalprobleem. Ik spreek helemaal geen Nederlands.'

Nederlanders spreekt Protzek - die van Polen vooral zijn kleinkinderen mist - eigenlijk nauwelijks. Aan zijn lijn in de fabriek staan alleen Polen, zodat iedereen elkaar kan verstaan. Hij doet zijn boodschappen in winkels waar hij alleen dingen hoeft aan te wijzen. 'De Aldi, de C1000. Uit Polen neem ik brood, worst en vlees mee naar Nederland.'

En als het mooi weer is, gaat hij wandelen met andere Polen die in het voormalige klooster in Schijndel wonen. Schoon, vindt hij Nederland. Netjes, in vergelijking met Polen. 'Maar de huizen zijn heel klein hier. In Polen hebben we grote huizen, met hele grote tuinen.'

Hij zou nooit voor langere tijd in Nederland gaan wonen. 'Ik heb alles in Polen: mijn huis, mijn tuin, mijn familie.' Maar voor jongere mensen is dat volgens hem anders. 'Als die hier een baan kunnen krijgen, willen ze hier wel wonen.'