Vogelgriep blijft diep in long

Het H5N1-virus kan zich alleen diep in de menselijke longen vermenigvuldigen. Dat verklaart waarom het vogelgriepvirus nauwelijks besmettelijk is van mens op mens.

Een virus dat zich niet in de bovenste luchtwegen vermenigvuldigt, komt moeilijk naar buiten bij hoesten of niezen.

Virologen en pathologen uit twee onderzoeksgroepen hebben die ontdekking onafhankelijk van elkaar gedaan. Onderzoekers uit de Rotterdamse groep van Ab Osterhaus beschrijven dit vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Science; een Japans-Amerikaans team publiceert de bevindingen in Nature.

De ontdekking is vooral belangrijk omdat voorheen nauwelijks in detail naar griepinfectie van de lagere luchtwegen werd gekeken. Nu duidelijk is waar gezocht moet worden, kan beter getest worden welke mutaties van het virus de besmettelijkheid bevorderen. Hoe een griepvirus ontstaat dat zich wél in keel en neus vermenigvuldigt (wat de kans op een pandemie vergroot) is nu nog niet bekend. Wel is duidelijk dat dat nog nauwelijks is voorgekomen.

Het vogelgriepvirus blijkt zich te binden aan cellen in de longblaasjes, het eindstation voor ingeademde zuurstof, waar het virus vanuit de longen in het bloed terechtkomt. Aan cellen hoger in de longen, in vertakkingen in het verlengde van de luchtpijp, bindt vogelgriep veel minder goed.

Het mensengriepvirus gedraagt zich omgekeerd, tonen beide onderzoeksgroepen aan. Dit virus bindt aan cellen bovenin de longen, en minder aan de longblaasjes. Ook in het neusslijmvlies, in de keel en de luchtpijp liggen cellen die vooral voor mensengriep gevoelig zijn.

Dat vooral longblaasjes worden aangetast door de vogelgriep, was al bekend. Als longblaasjes stuk gaan, krijgt een patiënt zuurstofgebrek. De cellen in de longblaasjes waaraan H5N1 het best hecht, zijn 'type-II-cellen'. Die scheiden stoffen uit die ervoor zorgen dat het zuurstof-uitwisselende weefsel van de blaasjes in goede conditie blijft.

Vogelgriep:pagina 10