Meer kinderarbeid als economie groeit

Economische groei leidt in ontwikkelingslanden op korte termijn tot toename van kinderarbeid. Weliswaar gaat een toename van het bruto nationaal product uiteindelijk gepaard met een afname van de participatie van kinderen in het arbeidsproces, maar deze trend manifesteert zich pas op de lange termijn.

Dit concluderen Uma Kambhampati en Raji Rajan van de Britse University of Reading in een onderzoek dat binnenkort verschijnt in het wetenschappelijke tijdschrift World Development.

De auteurs vergeleken economische groei en arbeidsparticipatie van kinderen van 5 tot 15 jaar in vijftien Indiase deelstaten in de periode tussen 1982 en 1994. Deze staten verschillen onderling sterk, zowel wat betreft welvaart begin jaren tachtig als in de economische groei die daarop volgde. Medio jaren negentig liep het percentage kinderen voor wie werken de belangrijkste dagtaak was, uiteen van 4,11 procent en 4,59 procent in de zeer arme deelstaten Bihar en Uttar Pradesh tot maximaal 17,27 procent in het veel rijkere Andhra Pradesh.

De auteurs stellen vast dat de staten die het meest groeiden ook de sterkste toename in kinderarbeid lieten zien. Dat is te verklaren, omdat een toename in het bruto inkomen van een deelstaat gepaard gaat met vraag naar onopgeleide werknemers in de landbouw. Kinderen kunnen daarin gemakkelijk voorzien - als verborgen arbeidsreserve. Met deze toename van de vraag naar arbeid, zo schrijven de auteurs, is tot op heden onvoldoende rekening gehouden.

Als door de groei het inkomen stijgt, kunnen meer ouders het zich permitteren kinderen naar school te sturen. Doorgaans zullen ook scholen verbeteren, evenals de infrastructuur. Die factoren dragen bij aan een afname in kinderarbeid op de lange termijn.

Wereldwijd is het percentage werkende kinderen tussen 1950 en 2000 gedaald van 28 naar 11. India heeft tussen 1950 en 2000 een daling laten zien van 35 naar 12 procent.