Litteken

Iemand in je omgeving wordt plotseling onwel, je ziet het gebeuren, maar je hebt geen idee wat te doen, want toevallig ben je vergeten je EHBO-diploma te halen. Het kan ons allemaal overkomen, op elk moment van de dag.

Hoogleraar Jos de Beus overkwam het. Hij schreef er in Trouw een mooi stuk over. Hoe een oude Turkse man plotseling buiten kennis raakte in de trein naar Leiden, hoe de paniek uitbrak in de coupé en hoe zelfs niemand de tegenwoordigheid van geest had de trein in Heemstede te laten stoppen. De man stierf. 'Als we een fractie doortastender zouden zijn geweest, dan zou het meneertje nu nog hebben kunnen leven', constateerde De Beus. Hij nam zich meteen voor een EHBO-cursus te volgen.

Een lezeres reageerde met een navrant verhaal over een man die tijdens de zondagse kerkdienst ziek werd, 'terwijl de dominee juist bezig was zich langdurig tot God te richten en voor niets en niemand meer oog had'.

Omstanders legden de man op de grond, maar verder gebeurde er niets. Totdat een vrouw keihard door de kerk riep: 'Kunnen jullie nu eens ophouden met bidden, er ligt hier iemand dood te gaan!' De dominee staakte het gebed en de redding kon op gang komen. 'Het heeft eigenlijk niets te maken met conducteurs of reanimatiediploma's, maar met kordaat optreden, ook tegen 'autoriteiten', schrijft deze lezeres.

Ik deel deze analyse niet helemaal. Kordaat optreden, prima, maar zonder enige medische kennis bereik je nog niet veel. En ik kan het weten, want ik spreek hier als ervaringsdeskundige. Wie het niet gelooft, mag mijn litteken zien - er gaat niets boven heldere lichaamstaal. Ik ben trots op mijn litteken, mág ik? Het is het enige opmerkelijke aan mijn lichaam.

Het zit bij de elleboog van mijn linkerarm, een verticale jaap van zeven centimeter met een zijtak van nog eens vier centimeter. Mijn litteken en ik zijn onafscheidelijk, wij verdragen elkaar al een kleine vijftig jaar, niemand kent ons beter dan wij elkaar kennen. Mijn litteken is een medeplichtige, hij weet wat die linkerarm allemaal op zijn geweten heeft, maar hij zwijgt erover als het graf. Hij vindt het goed dat ik nu iets over hem onthul, maar hij behoudt het vetorecht over de publicatie van dit stukje. Als het hem niet aanstaat, zal hij ingrijpen - heel kordaat zelfs.

Ik was een jongetje toen hij in mijn leven kwam. Op het stenen plaatsje achter ons huis tenniste ik altijd tegen de muur die ons van de buren scheidde. Urenlang kon ik dat doen. Tok-tok-tok. Krajicek is er beroemd mee geworden, ik niet. Ik speelde met mijn linkerarm, want ik ben linkshandig. Op een dag gleed ik uit en viel languit met mijn arm door een raampje van een achterdeur. Het was meteen een bloedbad. Mijn arm lag open als een rauwe biefstuk, ik liep verdwaasd rond, het plaatsje werd een rood pleintje.

Mijn ouders schoten toe, iedereen gilde door elkaar, totdat de buurvrouw, 'mevrouw Bom' - God koestert ongetwijfeld haar ziel - vanuit haar bovenraam riep: 'Ik kom eraan!' Mevrouw Bom kwam, zag, bond de arm af met een schone theedoek, alarmeerde de ambulance, kortom, redde mijn leventje. Ze was een kordate vrouw, zeker, maar ze was vroeger ook verpleegster geweest. Dankzij dat toeval kan ik nu dit stukje schrijven - met mijn rechter- én linkerarm.