Geen afsluitende tekst over water als mensenrecht

Het Wereld Water Forum in Mexico is verrassend geëindigd. Het verzet tegen particuliere bedrijven bij de watervoorziening groeit, het verzet tegen de bouw van dammen neemt af.

Toegang tot water behoort niet tot de mensenrechten. Althans in de slotverklaring van het vierde Wereld Water Forum, dat gisteren in Mexico werd afgesloten, wordt daar met geen woord over gerept. Het is wel geprobeerd. Verschillende landen, onder aanvoering van Bolivia, hebben aangedrongen op een paragraaf over het recht op water. Maar de 148 deelnemende landen konden het daarover niet eens worden. Vandaar dat Bolivia, Cuba, Venezuela en Uruguay met een aanvullende verklaring zijn gekomen waarin zij stellen dat 'toegang tot water in kwaliteit, kwantiteit en gelijkheid een fundamenteel recht is van mensen'.

Bolivia roerde zich niet alleen waar het ging om het recht op water. De Boliviaanse minister van Water, Abel Mamani, keerde zich ook nadrukkelijk tegen de invloed van het bedrijfsleven op de watervoorziening. Hier had hij meer succes. Want terwijl op de vorige waterconferentie, in 2003 in Kyoto, nog werd gepleit voor 'de ontwikkeling van nieuwe mechanismen van publiek-private samenwerking' en voor het 'mobiliseren' van 'alle financiële middelen, zowel publiek als privaat', bleef iedere verwijzing naar investeringen in de watervoorziening door particuliere bedrijven in de verklaring van Mexico achterwege.

De spanning tussen bedrijfsleven en overheid bestaat al langer in de watervoorziening. Grote, veelal West-Europese bedrijven hebben in de afgelopen jaren in veel landen waterleidingbedrijven, die tot dan toe door de staat werden gerund, opgekocht. De overheid - gesteund door organisaties als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fond (IMF) - hoopte zo de kwaliteit van de watervoorziening te verbeteren. Maar tegelijk met een stijging van de kwaliteit, steeg ook de prijs van het water, waadoor het vooral voor de armere bevolking onbetaalbaar dreigde te worden.

Voorstanders van particulier initiatief vrezen dat de problemen op veel plaatsen alleen maar groter zullen worden. Het bedrijfsleven wordt voorzichtig om nieuwe investeringen te doen als de overheid op ieder moment kan besluiten tot (re)nationalisatie en als klanten steeds vijandiger staan tegenover het bedrijf. Lokale overheden zijn in veel landen tot nu toe niet in staat gebleken een adequate watervoorziening te verzorgen. Als gevolg daarvan zullen waterbedrijven eerder geneigd zijn om hun product te leveren via flessen, wat uit milieu-oogpunt verwerpelijk is. Multinationals als Pepsi, Danone en Coca Cola maken inmiddels jaarlijks een omzet van 82 miljard euro voor de verkoop van flessenwater. Alleen al in China is de verkoop van flessenwater tussen 1999 en 2004 met 250 procent toegenomen - vergelijkbare ontwikkelingen zijn er in India, Indonesië en Latijns-Amerikaanse landen.

Zo opvallend als een verwijzing naar mensenrechten afwezig is in de slotverklaring, zo opvallend is de steun die wordt uitgesproken voor de bouw van dammen juist aanwezig. De verklaring roemt de bouw van dammen voor waterkrachtcentrales als een 'innovatieve praktijk' en 'erkent het belang van de uitvoering' van dergelijke projecten.

Milieuorganisaties hebben in het verleden herhaaldelijk gewezen op de risico's van de bouw van grote dammen. De sociale gevolgen zijn groot, vaak moeten honderdduizenden mensen hun huizen verlaten. Bovendien gaat veel water verloren en daalt langs de rivier het grondwaterpeil waardoor de complete waterhuishouding in een gebied ontregeld wordt.

Onduidelijk is hoe de opmerking over dammen in de slotverklaring terecht is gekomen. Het persbureau AP meldt na gesprekken met betrokken diplomaten dat dit op aandrang van Turkije, een bondgenoot van de Verenigde Staten, zou zijn gebeurd. Turkije is al jaren in conflict met buurlanden Syrië en Irak over de bouw van een of meer grote dammen in de Eufraat en de Tigris.

    • Paul Luttikhuis