De wilde geest getemd

Archeoloog Ian Hodder ziet het helemaal voor zich. Eerst gingen de mensen om religieuze redenen op een kluitje wonen. Pas daarna ontstond landbouw. Andere geleerden zijn sceptisch.

'Waarom zijn mensen zich ergens permanent gaan vestigen?' herhaalt de Engelse archeoloog Ian Hodder de vraag uit de zaal. Waarom, eh, dàt is de million dollar question.' Op die vraag blijft hij dus voorlopig het antwoord schuldig, bekent Hodder. Wel is hij ervan overtuigd dat permanente bewoning vooraf ging aan het begin van landbouw, zegt hij. Eerst gingen de nomadische jagers en verzamelaars op een kluitje wonen, en pas daarna ontstond landbouw - ca. 10.000 jaar geleden.

Het is vrijdagochtend vorige week en de zaal in het Academie Gebouw van de Universiteit Leiden zit vol met archeologen die de lezing van een van de bekendste hedendaagse archeologen willen bijwonen. Hodder, een brildragende, jeugdig uitziende, maar verder onopvallende 58-jarige man, is bekend geworden als de grondlegger van de 'postprocessuele archeologie'. Begin jaren tachtig zette hij zich af tegen archeologen als Lewis Binford die van archeologie een 'wetenschap' wilden maken met bewijsbare en falsificeerbare hypothesen. In overeenstemming met het postmodernisme van die tijd predikt Hodder dat de waarheid relatief is en dat de geschiedenis van de mens kennelijk meerdere versies kent.

Het laboratorium waar hij sinds 1993 zijn theorie toepast is een van de belangrijkste archeologische vindplaatsen ter wereld, Çatal Höyük in Centraal-Turkije. Hier werken ruim honderd wetenschappers in verschillende onderzoeksteams, die ieder met hun eigen interpretaties mogen komen. Hodder zelf houdt zich vooral bezig met wat cognitieve archeologie heet. Hij denkt niet zoals andere collega's dat externe factoren als klimaat en gebrek aan voedsel om te jagen en te verzamelen een beslissende rol hebben gespeeld bij het begin van sedentisme (permanente bewoning) en landbouw. Nee, de revoluties die daar voor zorgden hebben zich in de menselijke geest afgespeeld - door de omgang met materialen en symbolen. Hodder formuleert het zo: 'Eerst moest het wilde in de geest getemd worden vóór de mens natuur en dieren kon gaan domesticeren.'

Terwijl ook de vensterbanken vol zitten met toehoorders, schildert Hodder het dagelijks leven zoals zich dat volgens hem tussen 7300 en 6000 voor Christus in Çatal Höyük afspeelde. Achtduizend mensen woonden op een kunstmatige heuvel in moerassig terrein. Hun granen verbouwden ze waarschijnlijk ruim tien kilometer verderop. Voor de bewoners was belangrijker dat ze natte klei onder handbereik hadden om hun markante huizen te kunnen bouwen.

De nederzetting bestond uit aan elkaar gebouwde huizen zonder ramen en deuren. De toegangen waren gaten in de daken, die ook als straten fungeerden. Binnen waren sommige muren versierd met schilderingen. De vloer bestond uit enkele in hoogte variërende lemen platformen, die regelmatig opnieuw werden gepleisterd. Sommige huizen telden na 70 jaar bewoning 450 lagen. Ook de huismuren werden bij verval steeds opnieuw opgetrokken. Handelingen werden dus generatie na generatie op dezelfde plek uitgevoerd.

Hodder ziet hierin het bewijs van het ontstaan van langdurige wederzijdse sociale afhankelijk op grote schaal - socialisation noemt hij dat. Volgens anderen treden die complexe en omvangrijke sociale structuren pas op na het begin van de landbouw.

Diezelfde opeenvolgende vondstlagen en dus aanwijzingen voor socialisatie ziet Hodder ook in nog oudere vindplaatsen elders in Anatolië en het Midden-Oosten. 'Bijvoorbeeld in het tiende millennium voor Christus, in het begin van het neolithicum, in Jericho.'

Maar aanwijzingen voor het begin van een complexe sociale orde vindt Hodder ook in oudere vindplaatsen, zoals in Göbekli Tepe in Zuidoost-Anatolië, waar rond 9000 voor Christus van landbouw nauwelijks nog sprake was. Hier hebben Duitse archeologen een soort monumenten met dierenafbeeldingen en armen van mensen opgegraven. Een ceremonieel centrum, denkt Hodder, en weer een aanwijzing dat cultuur en religie de samenbindende factoren zijn geweest in het proces dat leidde tot sedentisme en later tot landbouw hebben geleid.

De Leidse archeologen zijn na afloop opvallend kritisch. Nabije Oosten-expert Gerrit van der Kooij, die in Jordanië graaft, is nog het positiefst. 'Hodder toont ons een kijkje in zijn keuken - dat is boeiend. Maar hij gaat te ver als hij tussen Çatal Höyük en het oudere Jericho overeenkomsten ziet in socialisatie.' David Fontijn, deskundige op het gebied van archeologische theorie: 'Hij gebruikt een narratieve structuur die ik ook voor andere tijden heb gehoord en te mooi past. Hij plakt het als een sjabloon op zijn data in plaats van dat hij van de data zelf uitgaat.' En Raymond Corbey, filosoof-antropoloog en hoogleraar archeologie en theorie is zelfs fel: 'Dit was bar slecht en zeer speculatief. Plekken in huizen die generaties lang op dezelfde manier gebruikt worden zeggen niets over socialisatie. Op de boerderij van mijn oudoom bijvoorbeeld gebeuren ook al generaties dingen op dezelfde plek, gewoon omdat ze daar altijd al zijn gedaan.'