De malariamug houdt van een beetje warmte

Een kleine opwarming kan een enorm effect hebben op de hoeveelheid malariamuggen.

In Oost-Afrika wordt opeens weer veel malaria vastgesteld.

De malariamug Foto Science Photo Library, Tony Brain Science Photo

De opvallende toename van malaria in Oost-Afrika zou toch door klimaatverandering kunnen zijn veroorzaakt. Amerikaanse onderzoekers bestrijden deze week de tamelijk stellige conclusie in 2002 van Britse onderzoekers dat dit juist niet waarschijnlijk was. Anders dan de Britten signaleren de Amerikanen wel een temperatuurstijging over de afgelopen dertig jaar. Een rekenmodel dat de reactie van een muggenpopulatie op verandering in temperatuur en vochtigheid berekent, laat zien dat een kleine opwarming een enorm effect kan hebben op de hoeveelheid muggen.

Sinds de jaren tachtig wordt in de hoog gelegen gebieden van Oost-Afrika (Kenia, Oeganda, Rwanda en Burundi) opeens weer veel malaria vastgesteld. Vooral kinderen zijn het slachtoffer. Het betreft gebieden op duizend tot tweeduizend meter hoogte waar de muggen (Anopheles gambiae) die de malaria-parasiet (de eencellige Plasmodium falciparum) overdragen door de betrekkelijk lage temperatuur tamelijk schaars zijn. Een geringe verhoging van de gemiddelde temperatuur zou daarom een sterk effect op de muggenpopulatie en op de verspreiding van de ziekte kunnen hebben, was het voor de hand liggende vermoeden. Ook het IPCC, het VN-orgaan dat mogelijke gevolgen van klimaatverandering in kaart brengt, hanteert dit scenario.

Maar toen de hypothese door Simon Hay en medewerkers uit Oxford werd getoetst constateerden zij dat zich in het betreffende gebied tussen 1970 en 1995 helemaal geen temperatuurverhoging had voorgedaan. Ook in de regenval werd geen trend gevonden. Een handicap was dat de relevante gegevens naar beste vermogen moesten worden afgeleid uit meteorologische waarnemingen die elders, en vooral ook: op andere hoogte, waren gedaan.

Toch sprak Hay in het tijdschrift Nature (21 februari 2002) het vermoeden uit dat de opleving van malaria een andere verklaring moest hebben: bevolkingsmigratie (de vestiging van minder-resistente mensen), veranderd landgebruik of afnemende ziekenzorg en muggenbestrijding. Een doorslaggevende rol kon zijn gespeeld door de toenemende resistentie van de malaria-parasiet tegen de gangbare geneesmiddelen als chloroquine.

De onderzoeksgroep van Mercedes Pascual (University of Michigan) rapporteert deze week in de Proceedings of the National Academy of Sciences dat uit de meteorologische gegevens die Hay gebruikte wel degelijk een temperatuurtrend is af te leiden, zeker als de waarnemingen tot 2002 worden doorgetrokken. Pascual hanteert geavanceerde statistiek die de effecten van 'ruis' zoveel mogelijk onderdrukt. De methode maakt zichtbaar dat de temperatuur in Oost-Afrika sinds de jaren zeventig met ruim een halve graad is gestegen. Een samenhang met de tamelijk abrupte opwarming van de Indische Oceaan, die ook halverwege de jaren zeventig op gang kwam, ligt voor de hand.

Het sensationele deel van Pascuals artikel bestaat uit de uitkomsten van het 'muggen-populatiemodel', dat de reacties van een muggenpopulatie op temperatuurverandering en meer of minder regenval voorspelt. Naar die regenval moest een slag geslagen worden, want de Afrikaanse statistiek reikte alleen maandtotalen aan.

Het model brengt zo goed mogelijk in rekening hoe groeisnelheden en overlevingskansen van de muggenlarven door de temperatuur worden beïnvloed en hoe de sterftekans van de larven stijgt naarmate het droger wordt.