Luilekkerland lonkt in 2007

De Nederlandse economie heeft volgens het Centraal Planbureau de weg omhoog hervonden. Steil omhoog zelfs. Voor het eerst zal, net als eind jaren negentig, de groei weer hoger zijn dan in de landen om ons heen.

We hebben een Centraal Economisch Plan, dat “economisch herstel op vele fronten', aankondigt. De werkgelegenheid groeit, de werkloosheid daalt. Onze koopkracht neemt toe. Consumptie, investeringen en export herstellen. De concurrentiepositie van het land verbetert. En de rijksbegroting is volgend jaar vrijwel in balans.

Wie niet beter zou weten, zou de bovenstaande tijding van de reeks van onwaarschijnlijk goed nieuws eerder associëren met de Sovjeteconomie van de jaren zestig dan met Nederland in 2006. Toch kwam het Centraal Planbureau gisteren in zijn jongste Centraal Economisch Plan inderdaad met een stroom van goed nieuws en gunstige vooruitzichten.

De economie groeit volgens de ramingen met 2,75 procent in 2006 en met 3 procent in 2007. Dat is de hoogste groei sinds 2000, en het zal voor het eerst sinds die tijd zijn dat de Nederlandse economie het weer beter doet dan het gemiddelde van de landen van de eurozone.

Nu valt er ook heel wat in te halen. Zoals het CPB benadrukt, heeft de economie een recordreeks van 17 kwartalen ondermaatse groei achter de rug. Dat betekent dat er hoe dan ook veel ongebruikt potentieel is opgebouwd - het zogenoemde output gap - dat wacht om te worden ontketend. Dat geldt niet alleen voor de productie-, maar zeker ook voor de consumptiegroei die lange tijd op een uitzonderlijk laag peil stond.

Opvallend aan de CPB-ramingen is dat er een kans is dat de realiteit nog gunstiger uitvalt dan nu voorzien. Terecht rekent het CPB een drietal onzekerheidsvarianten door. Zo kan het zijn dat de Amerikaanse dollar verzwakt tegenover de euro, in dit geval met 3,5 dollarcent in 2006 en 10 dollarcent in 2007. Dat pakt ongunstig uit, waarbij de economische groei 0,4 procentpunt lager uitvalt dan in het centrale scenario. De tweede onzekerheidsvariant betreft de huizen- en aandelenprijzen. Het CPB tekent in dat die een redelijk vlak verloop zullen hebben. Daardoor zal de burger zijn papieren vermogen niet of nauwelijks zien toenemen, en dus ook minder de neiging hebben een deel van dit veronderstelde vermogen te verzilveren en op te maken. Dit zogenoemde vermogenseffect was het afgelopen decennium van grote invloed op de economische groei.

Indien de huizenprijzen en aandelenprijzen toch stijgen, heeft dat alsnog een positief effect op de consumptie, dat overigens deels ongedaan wordt gemaakt door hogere invoer. Toch stijgt de economische groei in 2007 dan met 0,3 procentpunt extra.

De laatste onzekerheidsvariant die het CPB doorrekent is het interessantst. Het Planbureau rekent met een olieprijs van 60 dollar in 2006 en 55 dollar in 2007. Dat is hoog - het CPB had in het verleden de neiging de olieprijs juist te onderschatten. Stel nu dat de olieprijs lager uitvalt dan voorzien, en geleidelijk daalt naar 45 dollar. Dan krijgt de economie een forse impuls, en groeit in 2007 met 0,6 procentpunt extra. De schatkist lijdt, door lagere aardgasbaten, maar dat negatieve effect wordt geneutraliseerd door de harder groeiende economie.

Al met al prevaleren in de onzekerheidsvarianten de “opwaartse risico's': het kan nóg beter. Keert de economie dus, na jaren van malaise, weer terug naar normaal? Eén belangrijk kenmerk zal sterk zijn veranderd. Het CPB voorziet dat de zogenoemde arbeidsinkomensquote - simpel gezegd het deel van het nationaal inkomen dat toekomt aan werknemers - daalt tot 77,75 procent. Zo laag is dat sinds eind jaren zestig, aan de vooravond van de sociaal-economische revolutie in Nederland, niet geweest.

Om in Sovjet-termen te blijven: het deel van het nationaal inkomen dat dus toevalt aan de factor “kapitaal' is bijna veertig jaar niet zo groot geweest. Tekent dit de omvorming van de economie die heeft plaatsgevonden onder het kabinet-Balkenende? Meer dan dat: als het aan het regeerakkoord had gelegen, zou de arbeidsinkomensquote in 2007, aan het eind van de kabinetsperiode nóg ietsje lager zijn uitgevallen.

    • Maarten Schinkel