Let op het kikkerdril

Catrinus Dijkstra is 70 en hij had een strenge winter voorspeld, strenger in ieder geval dan we de laatste jaren gewend waren. Deze voorspelling deed hij vorig jaar op 9 november en verschillende kranten en radioprogramma's hebben er gewag van gemaakt, dat kun je controleren.

“Maar eigenlijk“, zegt hij, “doe ik geen voorspellingen. Het zijn wáárnemingen. Als ze niet uitkomen, treft de natuur geen blaam, dan heb ik het niet goed gezien.“

De heide bijvoorbeeld. De heide was makkelijk in bloei gekomen en had flink gehonigd. Dat is een teken.

Herfstdraden boven het land. Veel herfstdraden, dan kun je een winter met sneeuw verwachten. Dat komt voor 95 procent uit.

Op 2 oktober had hij al trekkende kraanvogels gezien. Wespen en hommels vlogen in oktober nog in groepjes. Huismussen dicht bij de huizen en met opbollende verenpakjes - dat zegt ook wat. En die typische bladval, vooral bij solitaire bomen - dan blijft het blad, hoe het ook waait, in een kring rond de stam liggen, een natuurlijke beveiliging tegen vorst.

“Ik heb“, zegt hij, “bij jachtopzieners in de regio geïnformeerd hoe het klein- en grofwild eruitzag. Ze zitten, zeiden ze, allemaal goed in het vlees. Nou, dan mag je aannemen dat ze kou verwachten. 't Is net of ze het aanvoelen.“

“Maar“, zeg ik, “ is dat niet eerder het resultaat van de zomer dan een aankondiging van de winter?“

“Nee, nee, ze kunnen zich elk jaar wel dik vreten. Maar dat doen ze niet als het niet hoeft. In de natuur gaat niets verloren. Alles heeft zin in de natuur. Het is toch frappant, bij al die zachte winters die we hebben gehad, dat die beesten in het najaar aan de magere kant bleven.

“Oktober“, zegt hij. “Oktober heeft een grote voorspellende waarde. Als je tussen de eerste en de laatste dag van die maand een temperatuurverval hebt van 0 tot 5 graden, dan wijst dit meestal op een zachte winter. Bij een verval van 5 tot 10 graden gaat het in de richting van een strenge winter. Maar bij méér dan 10 graden krijg je weer een slappe winter. Zo moeilijk is het!

“Vorig jaar was er in oktober feitelijk helemaal geen temperatuurverval. Dus dat sprak al die andere aanwijzingen tegen. Net als de mieren trouwens. De volksweerkunde zegt: als de mieren in juli hoge hopen opwerken, zullen we dat in de winter merken. Nou, het waren hoopjes van niks. Toen was de boodschap: het zal allemaal wel meevallen. Maar in de herfst kon je vaststellen dat ze toch vrij diep in de grond in hun nesten zaten, toen helden ze toch over naar kou.“

Al met al, nu de winter zo goed als achter de rug is: “Ik had hem iets harder verwacht, maar ik zat er niet ver naast.“

“Het is net“, zeg ik, “alsof de winter bij ons steeds op de drempel heeft gestaan en maar niet binnen wilde komen. Mijn hond is maar één keer op het ijs geweest.“

“Maar het sneeuwde heel gemakkelijk, en qua temperatuur en aantal vorstdagen was het hier in Brummen de strengste winter sinds 1996.“

's Morgens zit hij in zijn stoel en ziet hij de komende dag in alle rust onder ogen. “Ik zie de wolken gaan en dan denk ik: jongen, wat wil je vandaag, gelukkig zijn of niet?“ Eén ding staat vast: aan het weer zal het niet liggen. Slecht weer kent hij niet. Alleen met mist heeft hij weinig op. Voor mist is hij te nieuwsgierig. En van onweer...

“We hadden een grote boerderij. Mijn vader heeft een ongeluk gehad en is gestorven toen hij 42 was. Toen zat ik op de mulo, toen moest ik de koeien melken. Veertien koeien. Toen bleven er een keer vier dood door blikseminslag. Dus als ik aan de lucht een onweersbui zie groeien, man, ik ben er vreselijk bang voor, maar dat is mooi, zó mooi.“

Hij deed de rijksmiddelbare landbouwschool en heeft van 1959 tot 1995 bij de Grontmij gewerkt. Ruilverkavelingen. “Nee, dat zou ik nou niet meer doen.“

Het weer (en flora en fauna) beleeft hij het liefst in de open ruimte bij de IJssel. Met dit landschap is ook de herinnering verbonden aan de twee mooiste dagen van zijn leven: 14 maart 1981, toen zijn zoon het eerste kievitsei van Nederland vond, en 16 maart 1985, toen hij zelf zo gelukkig was. “Die dagen zou ik zo over willen doen; ik voelde me de koning van het land.“

Intussen: van 1900 tot 1987 is de gemiddelde vinddatum van het eerste kievitsei verschoven van 21 naar 16 maart (5 dagen in 87 jaar), sindsdien echter van 16 naar 9 maart (7 dagen in minder dan 20 jaar).

“Die klimaatsverandering“, vraag ik, “ voel je je daar niet ongemakkelijk onder?“

“Nou“, zegt hij, “het kan best nog wat warmer worden, maar dat gaat zo niet door. Daar stelt de natuur heus wel grenzen aan.“

“En zou dat niet met rampen gepaard gaan?“

“Daarvoor kunnen wij ons hoeden“, zegt hij. “Als de mens maar lúístert naar de natuur. De natuur wil ons vandaag de dag leren om nuchter te worden uit de dronkenschap van egoïsme en arrogantie.

“Ik vergelijk“, zegt hij, “de mensheid nu met een door de storm ontwortelde boom. Ze is losgeraakt van de aarde, ze ziet de aarde niet meer als haar moeder.“

Ja, dan krijg je mensen die niet naar de lucht, maar naar Teletekst kijken om te zien wat voor weer het wordt. Terwijl het toch zo eenvoudig is. “Als wij op een zomerdag gaan fietsen, roer ik even in een mierenhoop en als ze weg blijven, de mieren, dan kun je gerust zonder regenjas op pad gaan.“

Wat de komende zomer betreft: dat ziet er helemaal niet slecht uit. Normaal tot mooi en groeizaam weer. Je moet kijken: waar ligt het kikkerdril. “Dat kikkerdril, dat is zo wijs, en dat komt bijna altijd uit, hè?“

Maar je moet ook kijken: waar bouwen de wespen hun nesten. “Als die op gekke plekken gaan zitten waar de regen niet kan komen, dan krijgen we toch nog een natte zomer.

“Vanmorgen“, zegt hij, “in 't zwembad, vroeg iemand: wanneer wordt het nou eindelijk lente? Ik zeg: als de tijd daar is, meneer.“

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.