Games = Art: dat zéggen we toch?

Ja, jottum, het museum. Een enthousiastere reactie kun je van een dertienjarige niet verwachten, dus togen we opgewekt naar het Stedelijk Museum, want daar was een tentoonstelling over computerspelletjes.

Games = Art staat er door de hele stad groots aangekondigd. Een betere titel hadden ze niet kunnen bedenken. Blijkbaar vonden de makers van de tentoonstelling inderdaad dat gaming gelijk staat aan kunst en dat er dus niets hoeft te worden uitgelegd. Wel zo makkelijk. We hangen een aantal schermen aan de muur, waarop we wat spelletjes laten zien. Niet te veel mee doen. En weet je wat, we geven er geen uitleg bij, de mensen mogen kijken, niet zelf spelen. We zeggen er ook niet bij waarom we juist deze spellen uit het gigantische aanbod hebben uitgekozen. De bezoeker krijgt geen stenciltje mee met wat meer informatie. En er is meer! Want we laten ook niet zien hoe de games gemaakt zijn, wie is daar nou in geïnteresseerd? Een leuk overzicht van de geschiedenis van computerspelletjes, bijvoorbeeld van Pong tot nu? Nee, wat we doen, is niet interactief en ook niet informatief. Want games = art. Dat zeggen we toch. En na drie zaaltjes is het klaar.

Ik probeer mijn relatie met moderne kunst steeds weer nieuw leven in te blazen, maar ik raak verder gedesillusioneerd. De action figures die achter elkaar zelfmoord plegen maakten nog het meeste indruk op mijn inmiddels verdrietige gemoed. Ik zal wel een snob zijn en het niet hebben begrepen.

Gelukkig konden we voor de negen euro die we hadden betaald ook nog naar bijvoorbeeld stoelen kijken waar we niet op mochten zitten. Van de dertienjarige hoefde dat niet zo, hij bleef achter in de gamelounge, alwaar hij met matig enthousiasme grote monsters met dolken te lijf ging. Hoewel hij hierdoor een half uur kritiekloos mocht gamen, was ook hij teleurgesteld over de tentoonstelling. Nieuwe spellen spelen kan hij in de winkel op de hoek immers ook. “Hoewel“, zei hij, “daar zijn ze meestal kapot.“ Toch nog een voordeel, zo'n museum.