Anton Pieck als bouwmeester

Anton Pieck (1895-1987) leeft. Telkens als er een plan voor de herbouw van een eeuwenoud maar verdwenen gebouw opduikt - en dat gebeurt tegenwoordig erg vaak - valt al gauw de naam van de tekenaar die bekend werd om zijn Rothenburg-ob-der-Tauber-achtige stadsgezichten vol vakwerkhuizen en gezellige kinderkoppenstraatjes. Zo noemde een tegenstander van de herbouw van de donjon in Nijmegen in De Volkskrant de naam van Anton Pieck om uiting te geven aan zijn weerzin tegen het herbouwplan, waar overigens zestig procent van de Nijmeegse kiezers vóór stemden bij een referendum begin maart.

“Anton Pieck' staat voor een aantal argumenten tegen de herbouw van oude, verdwenen gebouwen. Of het nu gaat om de 19de-eeuwse Paleis voor Volksvlijt en de 17de-eeuwse Haringpakkerstoren in Amsterdam of om de Nijmeegse donjon, telkens beroepen de tegenstanders zich op de tijdgeest. In het tijdperk van digitalisering en globalisering is het ongepast om het verdwenen verleden te doen herleven. Herbouw van oude, verdwenen gebouwen is kitsch, zo voegen ze daar meestal aan toe, en getuigt van valse nostalgie naar een tijd die nooit heeft bestaan.

Het is bovendien een brevet van onvermogen om terug te grijpen op het verleden, zo besluiten ze meestal: we leven nu, het is anno 2006 en het is onze morele plicht om voor onze eigen monumenten te zorgen.

Vreemd genoeg wordt “Anton-Pieck' alleen als troef ingezet tegen herbouw van gebouwen van voor 1900. Als beroemde twintigste-eeuwse gebouwen opnieuw in elkaar worden gezet, valt zijn naam nooit. Integendeel, toen bijvoorbeeld een stichting in Eindhoven vorig jaar een studie wilde verrichten naar de mogelijkheden van herbouw van Le Corbusier's Philips-paviljoen voor de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1958, kreeg deze prompt de verlangde subsidie en was er niemand die zei dat het hier om een ernstig geval van valse nostalgie ging.

Ook over de herbouw van het paviljoen dat de inmiddels overleden architect Aldo van Eyck in 1966 maakte voor een beeldententoonstelling in Arnhem viel tot nu toe geen onvertogen woord. Er was niets dan lof voor de herbouw van dit gebouwtje, dat gisteren werd geopend en mede is gefinancierd door giften van leden van de Bond van Nederlandse Architecten. Aaron Betsky, de directeur van het Nederlands Architectuurinstituut die niet bekend staat als een valse nostalgicus, sprak eerder al liefdevol over “een halfvergeten herinnering die herrijst in de Kröller-Müller beeldentuin.“

Toch is de de herbouw van Van Eycks Sonsbeek-paviljoen nog curieuzer dan bijvoorbeeld de herbouw van de Haringpakkerstoren van Hendrick de Keyser in Amsterdam. In deze tijd, waarin alles volgens sociologen sneller verandert dan ooit tevoren, is Van Eycks paviljoen van veertig jaar geleden net zo goed geschiedenis als De Keysers toren van vier eeuwen geleden.

Daar komt nog bij dat Van Eycks gebouwtje nadrukkelijk was bedoeld als iets tijdelijks. Toen het in 1966 werd gebouwd in park Sonsbeek zou het slechts blijven bestaan zolang de expositie “Sonsbeek buiten de perken' duurde. Bovendien is het paviljoen nu herbouwd op een heel andere plek, niet in Arnhem maar op de Hoge Veluwe. Goed beschouwd is hier nu de geschiedenis niet hersteld, maar vervalst.

Een verdwenen, tijdelijk gebouw op een heel andere plek: als de herbouw van de Nijmeegse donjon Anton-Pieck-kitsch is, dan is het opnieuw gebouwde paviljoen van Aldo van Eyck in Museum Kröller-Müller dit tot de derde macht.

woensdag@nrc.nl