Nederland verliest positie in Europa

Nederland is voor Duitsland economisch minder belangrijk geworden. Dat heeft gevolgen voor de Nederlandse positie binnen de Europese Unie, betoogt Hein A.M. Klemann.

Vanaf de jaren '60 van de 19de eeuw tot de jaren '90 van de 20de eeuw was sprake van een statistisch aantoonbaar verband tussen de Nederlandse en Duitse economische groei. De laatste tien jaar is dat verband verdwenen. Gegeven de tegenvallende Duitse groeicijfers van de laatste tijd, lijkt dat op korte termijn misschien niet ongunstig, maar noch de economische, noch de politieke consequenties zijn goed te overzien.

Toen Duitsland zich in de jaren '60 en vroege jaren '70 van de 19e eeuw ontwikkelde tot een nationale staat, nam Nederland economisch deel aan dat integratieproces. Vanaf die jaren kent Nederland moderne economische groei. Het in beide landen invoeren van vrijhandel en het aanleggen van spoorwegen maakte het Nederland mogelijk deel te hebben aan de economische ontwikkelingen van een gebied dat tot de meest dynamische van Europa ging behoren. De kern van die Noordwest-Europese economie werd gevormd door het Ruhrgebied. Het teloorgaan van de relatie tussen de Duitse en de Nederlandse economie heeft dan ook alles te maken met het goeddeels verdwijnen van de zware industrie uit het Ruhrgebied. Vanaf het midden van de 19de eeuw was dit het centrum van de Europese staalindustrie, van de chemie en van de steenkolennijverheid geweest. Nu kost het moeite in dit gebied nog een in bedrijf zijnde hoogoven te vinden.

De Wiedervereinigung was voor het teloorgaan van de speciale economische band tussen de twee landen dan ook van geen betekenis. Ook als alleen naar de groei in de oude Bundesländer wordt gekeken is een statistisch verband met de Nederlandse groei niet langer aantoonbaar.

Vanaf de 19de eeuw lag vlak over de grens aan Rijn en Ruhr het industriële hart van Europa. De havens aan de Rijnmond werden als vanzelf voorhavens van dat gebied. Aangezien Duitsland steeds meer grondstoffen en voedsel nodig had om zijn industrie draaiende te houden en zijn bevolking te voeden, en steeds meer industrieproducten moest exporteren, werd Nederland een doorvoerland. Daarenboven ging Nederland een deel van de handel voor het Ruhrgebied verzorgen, leverde de Nederlandse landbouw een bijdrage aan de voedselvoorziening en verzorgde het land allerlei al dan niet financiële diensten. Ten slotte ontstonden institutionele banden tussen het bedrijfsleven in Rotterdam en in het achterland.

Nu is de Nederlandse economie losgescheurd van de bedding waarin zij zich ruim een eeuw geleden nestelde. Dat heeft grote consequenties waarvan de precieze aard niet valt te overzien. Doorvoer van en naar Duitsland zal wel nodig blijven, maar het type goederen verandert ongetwijfeld van karakter. Wat voor vervoer in de toekomst nodig zal zijn, moet niet aan een historicus worden gevraagd. Dat geldt ook voor de vraag naar de beleidsmatige consequenties van de ontwikkeling.

Was de omstreden aanleg van de Betuwelijn gegeven het tanende belang van het achterland niet onverstandig, of leidt de geringere betekenis van stortgoed er juist toe dat de goederen die nog wel moeten worden vervoerd, een spoorwegverbinding met het achterland vereisen? Verandert bovendien de concurrentiepositie van een stortgoedhaven als Rotterdam niet ten nadele van andere havens en is een verdere uitbouw van de Maasvlakte dan wel een goede optie, of is een transformatie van de haven eerder aan de orde? Het zijn vragen die naar aanleiding van de geconstateerde ontwikkelingen opborrelen.

Economisch nam Nederland in de 19de eeuw deel aan het integratieproces dat leidde tot het Duitse Rijk. Politiek bleef het er blijvend buiten. Dat had heel specifieke politieke consequenties. Zolang Nederland zijn markten volledig openstelde voor de Duitse belangen, was er voor Duitsland geen enkele reden Nederland politiek in de weg te zitten of te bedreigen. Industriëlen in het Ruhrgebied toonden zich in een aantal gevallen zelfs bereid voor Nederlandse belangen op te komen. De neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog, de welwillende houding van de Weimar Republiek, evenals de grote welwillendheid waarmee Den Haag door Bonn werd benaderd - het hing steeds ten minste ten dele samen met het feit dat niet alleen Duitsland voor Nederland van groot belang was, maar ook Nederland voor Duitsland.

Zelfs het feit dat Duitsland in 1940 Nederland wel binnenviel, past behalve bij de extreem agressieve politiek van het nazi-regime, ook in dit beeld. Hitler-Duitsland had immers van de Weimar Republiek de monetaire problemen geërfd die een normaal economisch verkeer haast onmogelijk maakten. Seyss-Inquart achtte het dan ook zijn voornaamste taak weer een economische verbinding tussen de beide landen tot stand te brengen.

Honderddertig jaar lang had Duitsland een bijzonder belang bij Nederland. Zolang de economische contacten zonder hinder verliepen, hield het daarom rekening met de Nederlandse belangen rekening. Uiteraard gaf de bijzondere relatie met het machtigste land van het Europese continent, Nederland een sterkere positie dan zijn omvang rechtvaardigde. Nu die bijzondere band is verdwenen, hoeft Nederland ook niet langer op deze bijzondere welwillendheid te rekenen. Het feit dat Berlijn verder weg en koeler lijkt dan Bonn, heeft dan ook niet alleen te maken met de verhuizing van het Duitse machtscentrum naar Centraal-Europa. Nederland boet door de veranderde economische positie ten opzichte van Duitsland voor Berlijn aan betekenis in. Aangezien Duitsland een bijzondere plaats in de EU inneemt, moet Den Haag er ook rekening mee houden dat zijn positie binnen die instelling tanende is.Daar staat tegenover dat het verdwijnen van de bijzondere band met het machtigste land van Europa, een onafhankelijker opstelling mogelijk kan maken.

Hein A.M. Klemann is hoogleraar sociale en economische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Deze tekst belicht enige aspecten van zijn vandaag uitgesproken oratie 'Waarom bestaat Nederland eigenlijk nog? Nederland-Duitsland: Economische integratie en politieke consequenties 1860-2000'.