Discussiecultuur

Kamerlid Hirsi Ali gaat liever in debat met de leden van de Hofstadgroep dan dat zij hen veroordeeld ziet voor hun radicale overtuigingen. De rechter hoort zich volgens haar niet uit te spreken over theologische en politiek ideeën, die moeten worden bestreden in de publieke arena.

Die roep om een open debat moet D66- backbencher Dittrich als muziek in de oren hebben geklonken. In 2004, net na de moord op Van Gogh, pleitte hij voor een fundamentele verandering van onze debatcultuur. Die verandering zag hij als een essentieel wapen in de strijd tegen moslimfundamentalisten.

Volgens Dittrich hebben wij in Nederland geen ontwikkelde debatcultuur. In het verzuilde Nederland hadden we daar geen behoefte aan en tegenwoordig zijn Nederlanders weliswaar zeer gesteld op de vrijheid van meningsuiting, maar ze gebruiken die met name om hun ongezouten mening te verkondigen.

Toch kenmerkt het Nederlandse debat zich ook door een groot respect voor de mening van de ander. Dat respect wordt vaak verklaard uit onze bestuurscultuur waarin het noodzakelijk is met je tegenstanders tot een oplossing te komen. Die noodzaak bestaat niet alleen in de politiek maar ook in bedrijven, omdat wij hier nu eenmaal niet de hiërarchische structuur kennen van Angelsaksische landen die veel meer beslissingsmacht in de handen van één persoon leggen.

Werknemers van Nederlandse bedrijven zijn gewend om over van alles en nog wat mee te discussiëren. Je zou kunnen spreken van een discussiecultuur: iedereen doet zijn zegje en er wordt gezocht naar consensus. In zijn studie Eer, contract en consensus (Uitgeverij Nieuwezijds, 1998) naar bedrijfsculturen in Frankrijk, de Verenigde Staten en Nederland beschreef d'Iribarne onze cultuur als informeel, niet hiërarchisch en op consensus gericht. Hij nam bovendien waar dat Nederlanders af en toe zo de buik vol hadden van die zoektocht naar overeenstemming en open discussie dat de vlam in de pan schoot, en iedereen opeens met iedereen ruzie had. Als het vuur was gedoofd, ging men weer op de oude voet verder.

Waarom moet die discussiecultuurveranderen in een debatcultuur? Wat verwachten Dittrich en Hirsi Ali van een debat met moslimfundamentalisten?

In een debat gaat het immers niet om consensus maar om aanval en verweer en is er geen tijd om na te denken: 'Men moet meteen spreken en eigenlijk al terugslaan nog voordat de tegenstander de kans heeft gekregen zijn handen op te heffen.' Zo leert Quintilianus ons in zijn standaardwerk De opleiding tot redenaar (VI, 4.3-8, Historische Uitgeverij 2001).

Zouden we minder last hebben van moslimfundamentalisten wanneer we ons zouden onderscheiden door een hoogstaande debatcultuur? Zou Jason W. nu vrij en minder radicaal rondlopen na een fel debat met Hirsi Ali?

Op het eerste gezicht zijn velen die mening toegedaan. Sinds een paar jaar woedt een debatgolf door ons land die zich uitstrekt van de grote popfestivals tot kleine achterafzaaltjes. Voor de liefhebber zijn er debatclubs, debattoernooien en retoricaweekeinden.

Maar echte strijd wordt in die debatten vaak niet geleverd. Ze dienen meer als uitlaatklep dan als strijdtoneel. Ik ben geneigd om veel van die debatten te duiden als pogingen om na een aantal hevige ruzies een nieuwe consensus te vinden.

Kan een debatcultuur ook afkalven? In Duitsland en de Verenigde Staten, twee landen met een rijke debattraditie, werden de afgelopen verkiezingen gewonnen door politici die veruit de mindere waren in de televisiedebatten. Merkel en Bush kwamen minder goed uit hun woorden dan hun tegenstanders Schröder en Kerry.

Merkel had echter het voordeel van een 'briljant grafiekje': het debat tussen haar en Schröder werd door de kijkerspanels niet alleen beoordeeld op de vraag wie er overtuigender overkwam maar ook op de vraag hoe de kandidaten het deden ten opzichte van wat van hen werd verwacht. De panels hadden verwacht dat Schröder het debat met speels gemak zou winnen. Dat deed hij ook, maar Merkel gaf beter partij dan de kijker had voorspeld. Na afloop luidde de conclusie van het debat: Schröder wint, Merkel beter dan verwacht.

Toch een beetje gelijkspel dus. Voor de liefhebber van debatten is het een treurige uitkomst: als degene die in het debat de beste argumenten voor zijn stellingen aanvoert toch niet degene is die de kiezer overtuigt, waartoe dient een debat dan nog?

Ik denk dat de roep om een open debat een roep is om belangrijke verschillen van inzicht tot voorwerp van discussie te maken. Om je niet te verschansen achter stellingen, maar je tegenstander met open vizier tegemoet te treden. Ik denk dat een informele discussiecultuur daar meer aan bijdraagt dan een debatcultuur waarin de tegenstander met alle mogelijke middelen wordt bestreden, omdat de enige grens die de debater zich oplegt de vraag is of het publiek zijn smerige trucs pikt.

Hoe kunnen we bewerkstelligen dat die open discussie tussen verschillende standpunten overal in de samenleving gestalte krijgt? Vanzelfsprekend door haar zelf te voeren op straat, in de kroegen en op internet.

Ik denk bovendien aan het volgende: zouden kranten als hoeders van het ideaal van hoor en wederhoor niet in plaats van discussies op hun webpagina's te initiëren, op de pagina's van anderen kunnen pleiten voor een evenwichtig debat?

Internet is een mekka voor radicale standpunten. Als de redacties zich eens op die radicale sites begaven en er daar voor zouden pleiten om niet met oogkleppen op te discussiëren, een paar links naar goede artikelen zouden achterlaten etc. Dat lijkt me een moderne manier van actie voeren voor een nobel doel en misschien bereik je er wel een moeilijk tebereiken groep lezers mee. Iets voor nrc.next ?

Menno van der Veen is jurist, filosoof en programmamaker bij de Balie in Amsterdam.