Angst voor de toekomst

In een interview dat Nol Gregoor met Simon Vestdijk had, in de jaren zestig, vraagt Gregoor aan Vestdijk om zich voor te stellen dat hij een vervolg zou schrijven op zijn roman De ziener maar 'met alleen de onzekerheid als richtsnoer', dat wil zeggen: zonder de uitgebreide schema's die Vestdijk gewoon was te maken voor een roman. Dat vindt Vestdijk lichtelijk huiveringwekkend, een hele roman zonder te weten waar dat heen gaat. Hij zegt dat hij dat eigenlijk niet zou kunnen: 'Een soort angst voor de toekomst, ja een soort angst voor de toekomst.'

Angst voor de toekomst is een begrijpelijk iets: in een oorlog, bij ziekte, als er een belangrijke beslissing gaat vallen. Maar in het algemeen, angst voor de toekomst - waartoe. We zullen wel zien. Nooit veel last van gehad, van die dreigende toekomst.

Maar nu. Zou het de leeftijd zijn of zijn het werkelijk de tijden? Iedereen denkt natuurlijk altijd dat er uitgerekend in zijn of haar eigen tijd enorm veel is veranderd. Omdat je de veranderingen in vorige tijden meer als natuurlijke ontwikkelingen ziet, aangezien die resulteerden in de vanzelfsprekendheden van je eigen tijd. Rechtvaardig is dat niet. Mijn schoonvader is 91 - wat heeft die al voor veranderingen meegemaakt. De geluiden uit zijn jeugd, toen de auto nog zeldzaam was, het enkele rijtuig nog wel reed, telefoons slechts spaarzaam ter beschikking waren, gasverlichting normaal - nu ja enfin, we hoeven geen totale periodetafereeltjes te gaan schetsen, maar een mini-voorstelling van zaken maakt al duidelijk dat de tijden enorm veranderd zijn, almaar door, eigenlijk onafgebroken, sinds hij geboren werd tot nu toe. Aan de laatste revolutie, de digitale, heeft hij niet meer echt meegedaan, al kan niemand er helemaal buiten blijven. En juist die laatste bezorgt mij soms ineens die malle Vestdijkiaanse sensatie die ik nooit anders dan als grapje herhaald heb: angst voor de toekomst.

Het is eigenlijk onzin om géén angst voor de toekomst te hebben, want er kan wel van alles gebeuren, maar het vreemde is dat het niet moeilijk is om daar weinig aan te denken, hoewel alles om je heen in razend tempo verandert. Denk bijvoorbeeld aan de misrekening van Eastman Kodak die een grote fabriek voor filmrolletjes in China had opgezet. Te laat. De fabriek was al na een paar jaar rijp voor de sloop, de mensen die dachten bij een internationaal bedrijf werk gevonden te hebben konden al snel weer werkloos naar huis: filmrolletjes zijn passé, in China slaan ze zelfs de digitale camera over en nemen direct een mobieltje met fotofunctie. You can't argue with success was de zelfverzekerde kreet van Kodak in de jaren dat fotograferen en Kodak een onverbrekelijk huwelijk hadden.

Laatst hoorde ik iemand aan de telefoon tegen de schrijver van een artikel zeggen: 'Dia', je schrijft 'dia', dat moet je wel even uitleggen.'

Dat sommige apparaten door betere versies worden vervangen, of overbodig worden gemaakt door andere, dat is niet erg, dat is wel leuk, vaak handig, het tekent de enorme vindingrijkheid en vitaliteit van de mensenwereld. Dat je binnen de kortste keren denkt: wat was dat toch onhandig dat een telefoon alleen maar op een vaste plaats kon staan, kenmerkt het grote aanpassingsvermogen dat mensen hebben. Maar het is merkwaardig dat het zo schokkend is als met de komst van iets nieuws, iets ouds ook werkelijk verdwijnt, of dreigt te verdwijnen.

Een cultuur. Er woedt al enige tijd een poëziediscussie, of een studentendiscussie hoe moet je het zeggen, een discussie in ieder geval, over wat er nog van studenten gevraagd kan worden te leren en te lezen. De kersverse hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens schreef daar enige tijd geleden in deze krant een stuk over: dat zijn studenten zoveel andere dingen en andere media tot hun wereld rekenen, schreef hij, en dat ze zo'n ander leesgedrag hebben, dat het moeilijk is, en misschien zelfs wel ongewenst, om ze op de traditionele manier de oudere literatuur op te dringen. Die studenten van Vaessens zouden met enige aandrang nog best bereid zijn om in te zien dat Nijhoffs poëzie, bijvoorbeeld, de moeite van het bestuderen waard kan zijn, maar ze zouden na zo'n college buiten komen als iemand die uit het museum van Oudheden komt: het was interessant, maar gelukkig is dit hier buiten het echte leven. Nijhoff, of Kloos of Dèr Mouw en misschien ook wel Lucebert of Gorter zijn gewoon voorbij. Kun je eigenlijk niet echt meer mee aankomen. De veranderde wereld met zijn veranderde cultuuraanbod heeft die oudere poëzie zo overbodig gemaakt als een fotorolletje in China.

Dan gaat het hard. Als hoogleraren merken of vinden dat ze de stof nog maar ten dele aan kunnen bieden. Als leraren, Robert Anker schreef er afgelopen zaterdag in deze krant over, van hun vwo-leerlingen niet méér mogen eisen dan dat ze aan het eind van hun schoolopleiding twaalf (12!) boeken gelezen hebben waarover ze vooral een eigen mening moeten hebben (hij gaf een paar voorbeelden, het meest treffende oordeel leek me 'Best wel zielig'). Als nieuwe leraren zelf ook niet meer dan twaalf boeken op de middelbare school hebben gelezen, plus nog wat verplichte hapjes in de studie, waarin zo min mogelijk serieuze oudere literatuur is opgenomen.

Angst voor de toekomst. Niet omdat het nieuwe zo verkeerd is. Maar omdat je het oude, datgene wat je bestaan altijd uitmaakte, 'dat wat de ziel het diepste raakt' om dan nog maar eens met Vestdijk te spreken, ineens overbodig, waardeloos, achterhaald wordt. En dat kán gewoon niet, dat kan niet verdragen worden. Het zal wel daarom zijn dat de roep om een elite steeds harder wordt. Maar we krijgen nooit meer een elite, want de wereld is veranderd en oneindig gefragmenteerd geraakt. Dus misschien krijgen we er een heleboel, elites, maar het kan niemand meer iets schelen wat zo'n elite vindt of kiest. Dat moet ze voor zichzelf weten. Best wel zielig.