Vliegen vangen

In zijn informatieve column van zaterdag 11 maart schoot de pen van Piet Borst, toen hij in een antipapistische opwelling de gemiddeld twaalf nakomelingen van de dood en verderf zaaiende tsetsevlieg op één lijn plaatste met dat van de Brabanders, zó royaal uit dat het nodig is een paar zaken in de juiste historische context te plaatsen. In het begin van de negentiende eeuw waren de geboortecijfers (het aantal geboorten per 1000 inwoners) in het westen van ons land aanzienlijk hoger dan in het zuidoosten. In de katholieke gebieden werden toen naar verhouding de minste kinderen geboren. Deze situatie bleef zo gedurende een groot gedeelte van de negentiende eeuw. Pas in de periode 1896/1900 kwamen de geboortecijfers in Brabant en in Limburg voor het eerst hoger uit dan het Nederlandse gemiddelde en in de jaren zeventig was het weer voorbij.

Waaraan kan deze tegendraadse ontwikkeling worden toegeschreven? De antropoloog P. Meurkens beschouwt de veranderende opvattingen van de clerus als belangrijkste verklaring. Niet het geijkte cliché van de pastoor die belangstellend komt informeren 'of er al wat onder het schortje zit', maar een genuanceerder en gecompliceerder verhaal.

Zowel priesters als bisschoppen riepen hun parochianen op om 'de fantasie van de andere kunne' zo min mogelijk te prikkelen. Het niet volledig verhullen van het vrouwenlichaam werd door de clerus als 'onwelvoegzaam' gedefinieerd. Omdat het tonen van vrouwelijke lichaamsdelen een taboe was geworden, werd het geven van borstvoeding als ongepast beschouwd. Frequente borstvoeding gedurende een langere periode maakte plaats voor flessenvoeding, met twee (onbedoelde) effecten als gevolg. Door het niet (of veel korter) geven van borstvoeding, verslechterden de overlevingskansen voor zuigelingen dramatisch: in Tilburg verdubbelde tussen 1820 en 1900 de sterftekans voor kinderen van 2-12 maanden. Ten tweede: door het niet meer geven van borstvoeding werden de intervallen tussen geboorten korter. Het langdurig zogen van een baby zorgt ervoor dat bij de moeder de ovulatie tijdelijk onderdrukt wordt. Onderzoekers schatten dat deze tijdelijke onvruchtbaarheid kan oplopen tot zo'n 70 procent van de duur van de borstvoedingsperiode. De overstap van de moedermelk naar kunstmatige voeding - veelal koeien- of geitenmelk - had tot gevolg dat het kindertal per gezin aanzienlijk kon stijgen.

Deze ontwikkeling deed zich voor zonder dat de priesters aanstuurden op grote gezinnen. In de herderlijke brieven van vóór 1910 werd seksualiteit beschouwd als een onvermijdelijk gevolg van het huwelijk, maar in de teksten werd aangedrongen op terughoudendheid ten aanzien van seksueel verkeer.

Pas in 1914 werd het ouderpaar er voor het eerst op gewezen dat het een plicht is zoveel mogelijk kinderen voort te brengen. Analyse van de cijfers laat niettemin zien dat, wat de oproep tot voortplantingsplicht betreft, er een verschil bestond tussen 'de voorgeschreven orde' en 'de geleefde praktijk'. Aan het eind van de jaren zeventig was er geen verschil meer in geboortecijfers tussen de zuidelijke provincies en de rest van het land.

Momenteel kunnen de zuidelijke provincies zich met recht afficheren als 'de provincies van de kleine gezinnen'. Het spreekwoordelijk geworden grote katholieke gezin was dus maar een héél kort leven beschoren, nauwelijks langer dan dat van de tsetsevlieg.

Cor van der Heijden, Hulsel