Vamps, maîtresses en femmes fatales

In de National Gallery te Londen wordt de tentoonstelling 'Americans in Paris' gehouden, met werk van Amerikaanse schilders die in de 19e-eeuw in Parijs verbleven.

'De dochters van Edward Darley Boit' (1882) van John Singer Sargent (collectie Museum of Fine Arts, Boston) Singer Sargent, John

'Als we vandaag op zoek gaan naar 'Amerikaanse kunst', dan vinden we die vooral in Parijs', schreef de Amerikaanse auteur Henry James in 1887. 'En als we die kunst buiten Parijs vinden, dan zit er in ieder geval een heleboel Parijs in.' Zijn landgenoot Thomas Appleton, negentiende-eeuws dichter en amateurschilder, beweerde: 'Goede Amerikanen gaan naar Parijs als ze sterven.'

In de tentoonstelling 'Americans in Paris, 1860-1900' die nu te zien is in de National Gallery te Londen, worden die uitspraken uitvoerig geïllustreerd. 'Americans in Paris' bestrijkt een periode waarin Parijs de hoofdstad van de wereld was op het gebied van kunst, verfijnde society en het goede leven in het algemeen.

Het was de negentiende eeuw, het tijdperk dat de Amerikaanse beeldende kunst nog leed aan een ernstig en grotendeels terecht minderwaardigheidscomplex tegenover Europa. Voor Amerikaanse schilders die de kunst serieus namen, bestond er geen enkele twijfel: Parijs was de stad waar ze zich konden bewijzen. Onder hen bevonden zich veel vrouwen, en die zijn dan ook goed vertegenwoordigd op de tentoonstelling. Het zelfportret van Ellen Day Hale uit 1885, waarin ze zichzelf afbeeldt als zelfverzekerde dandy, zonder makeup of franjes, zegt alles over de grotere vrijheid en onafhankelijkheid, sociaal en artistiek, die vrouwen hier genoten.

Een van de meest prominente vrouwelijke kunstenaars in Parijs was Mary Cassatt (1844-1926), bekend van haar schilderijen van moeders met kinderen. Cassatt werd dankzij haar vriendschap en geestverwantschap met Edward Degas de enige Amerikaanse die officiëel was gelieerd aan de Impressionisten. In haar Girl in a blue Armchair ligt een klein meisje landerig uitgestrekt in een blauwe fauteuil, met op de achtergrond nog drie van zulke fauteuils, leeg op een klein hondje na. Het is een sterk beeld van de lamlendigheid en verveling die kinderen juist ook in den vreemde kan overvallen.

Een parallel is te vinden in het indrukwekkende The daughters of Edward Darley Boit, van John Singer Sargent (1856-1925). De vier kleine meisjes in de hal van het Parijse appartement van hun ouders hebben keurige schortjes voor en gekamde haren. Toch is er iets melancholieks aan de manier waarop de meisjes er half in de schaduw bijstaan, één zelfs volledig afgewend, en naar de toeschouwer kijken alsof die een indringer is.

Een aantal van de mooiste huiselijke tafereeltjes is echter niet te zien in deze tentoonstelling maar elders in de National Gallery, waar een speciale expositie is gewijd aan de etsen van Mary Cassatt. Ze raakte gefascineerd door verschillende ets- en druk technieken, en produceerde onder invloed van Japanse houtsneedrukken een baanbrekende reeks prenten. In een experimentele combinatie van aquatint, drogenaald- en andere etstechnieken, beeldde ze intieme sce`nes uit vrouwenlevens af. Zowel de vlakverdeling, het kleurgebruik en de lijnen doen sterk Japans aan. Zo is er bijvoorbeeld een badende vrouw, in de weer met een lampetkan, met prachtige ronde blote schouders.

Voor veel Amerikaanse schilders betekende Parijs het begin van hun succes. Vaak ging dat gepaard met schandalen. Zo werd James McNeill Whistler's Symphony in White, No. 1: The White Girl - een lieflijk portret van zijn maîtresse - geweigerd door de Royal Academy in Londen voordat het te zien was op de Salon des Refusés (tegenhanger van de reguliere Salon) in 1963. Het schilderij is een toonbeeld van zedigheid vergeleken met Sargents Madame X, het portret dat de Parijse society - toch wel wat meer gewend dan de Victorianen - ten diepste schokte op de Salon van 1884. 'Madame X' was Madame Pierre Gautreau, een beruchte femme fatale van Amerikaanse afkomst - in Parijs, zo zien we ook op andere schilderijen, veranderen Amerikaanse vrouwen in vamps.

Sargent toont haar lijkbleek, als een vampier, in een strak getailleerde, diep uitgesneden zwarte japon die slechts door twee onpraktische gouden kettinkjes op zijn plaats wordt gehouden. In een eerdere versie van het schilderij was een van de bandjes zelfs haar schouder afgegleden. Madame X, met een rood oortje als curieus erotisch focuspunt, precies in het midden van haar opzij kijkende hoofd, werd zo het toonbeeld van een bepaald soort elitaire decadentie, het soort dat ver buiten het bereik lag van de gechoqueerde bourgeoisie.

Een schilderij als Madame X lijkt regelrecht afkomstig uit een roman van Henry James. En dat geldt voor veel van de beste werken hier, die vaak van de hand zijn van de grote drie: Cassatt, Whistler en Sargent. Zo is het een verademing om in een zaal vol pastelkleurige Franse landschappen - klaprozen, geraniums, landweggetjes - Whistlers Harmony in Blue and Silver (1965) te ontdekken, een spectaculair vaag, modernistisch zeegezicht.

In de handen van mindere goden kan de Amerikaanse verliefdheid op de lichtstad en haar levendigheid, romantiek en exotisme, al snel verworden tot plaatjes van bloemenstalletjes of pittoreske bruggen over de Seine. Fascinerend is het wel, om te zien hoe in de negentiende eeuw de basis werd gelegd voor een hardnekkig Amerikaans ideaalbeeld dat tot op de dag van vandaag voortleeft in de toeristenstalletjes op de Place du Tertre.

'Americans in Paris, 1860-1900'. Tot 21 mei. 'Mary Cassatt: Prints'. Tot 7 mei. In de National Gallery te London, www.nationalgallery.org.uk