Succes is niet te koop

De TU Eindhoven kende in zijn 50-jarig bestaan wetenschappelijk en technisch succes. Het maatschappelijke en economische nut ervan was beperkt.

Michiel van Nieuwstadt

Harry Lintsen en Hans Schippers (rechts). foto Merlin Daleman Hans Schippers & Harry Linzen. TU/e Eindhoven. 09-03-06 © Foto Merlin Daleman Daleman, Merlin

Nu universiteiten het erover eens lijken dat hun kennis vooral te gelde moeten worden gemaakt, is het goed dat iemand eens laat zien hoe moeilijk dat eigenlijk is. Harry Lintsen, hoogleraar Geschiedenis van de techniek aan de TU Eindhoven en Hans Schippers, onderzoeker aan de faculteit Technologie Management hebben dat gedaan. Ze schreven het boek 'Gedreven door Nieuwsgierigheid', een selectie van vijftig jaar onderzoek aan de Technische Universiteit Eindhoven. Enig medelijden met wetenschappers bekruipt de lezer wel bij het doornemen van 28 onderzoeksprojecten, uitverkoren om hun praktische toepasbaarheid en - ja - hun succes, vanuit technisch of wetenschappelijk oogpunt tenminste. Onderzoeksprojecten gaan vaak gepaard met beloftes van economisch gewin en maatschappelijk nut, constateren de auteurs, maar die ambities en verwachtingen komen zelden uit.

Als bijvoorbeeld Eindhovense ingenieurs na jarenlange studie vaststellen dat van bamboe uitstekend huizen gebouwd kunnen worden, blijkt al snel dat de mensen er niet in willen wonen: ze beschouwen het materiaal als minderwaardig. En nadat in Eindhoven een prestigieus instituut voor het onderzoek aan polymeren is opgezet, besluiten chemiegiganten als DSM, Akzo en General Electric flink te gaan snijden in hun Nederlandse researchafdelingen. Dat Dutch Polymer Institute moest daarom in het jaar 2000 het roer radicaal omgooien. Ook worden in Eindhoven sinds de jaren zeventig doorbraken gerealiseerd die zicht bieden op goedkopere en efficiëntere zonnecellen. Maar de weg naar commercieel succes is steeds langer dan gehoopt. In 1999 besluit Shell de productie van zonnecellen zelfs naar Duitsland over te hevelen, een dikke streep door de Nederlandse ambities op dit gebied.

Op Lintsens werkkamer aan de TU Eindhoven lichten de auteurs hun bevindingen toe. Lintsen: Er bestaan in Nederland overspannen verwachtingen over het maatschappelijk of economisch benutten van wetenschappelijke kennis, kennisvalorisatie in beleidstermen. Wij kijken voorbij de kretologie en proberen de verwachtingen te temperen.'

Lintsen en Schippers hebben, zoals het in een jubileumboek betaamt, oog voor de successen van de Technische Universiteit Eindhoven. ''Er is excellent onderzoek verricht'', zegt Lintsen. ,,Maar de technische universiteit had in de afgelopen vijftig jaar ook succes geboekt als er geen enkel product of technische doorbraak was afgeleverd. Het onderzoek is hoogwaardig en ingenieurs zijn ons belangrijkste product. Dat is vanaf de oprichting van de universiteit altijd zo geweest. Philips heeft daarin natuurlijk een belangrijke rol gespeeld. Twintig procent van de mensen die bij het Natlab werken komen van deze TU.''

Wat zijn, los van het onderwijs, de meest bijzondere dingen aan de TU Eindhoven in de afgelopen vijftig jaar?

Lintsen: De TU behaalt uitstekende citatiescores, geen enkele Nederlandse universiteit doet het beter wat dat betreft. De kwaliteit van het onderzoek staat dus buiten kijf. Maar voor het echte baanbrekende werk moet je niet aan de TU Eindhoven zijn. Nobelprijzen hebben we in Eindhoven nooit gehad. Als we afgaan op het oordeel van de wetenschappelijke gemeenschap kun je vaststellen dat de universiteit twee Spinozapremies heeft binnengehaald, zeg maar de Nederlandse Nobelprijs. Een voor excellent onderzoek op het terrein van de polymeren en een op het gebied van de katalysatoren.''

Het aantal levensvatbare bedrijven dat in de afgelopen jaar uit de boezem van de TU Eindhoven is voortgekomen is beperkt. Een commercieel succes is de door Schippers beschreven exploitatie van het cyclotron, een deeltjesversneller die van belang is voor fundamenteel onderzoek aan atoomkernen, maar die ook wordt gebruikt voor de productie van radioactieve isotopen voor hersen- en tumoronderzoek. Het bedrijf dat deze producten verkoopt is tegenwoordig in handen van het Amerikaanse General Electric en heeft op het terrein van de Technische Universiteit Eindhoven 150 mensen in dienst.

Technologische vernieuwingen en wetenschappelijke doorbraken zijn niet te plannen. Toch is de geschiedenis van de 28 Eindhovense onderzoeksprojecten die Lintsen en Schippers beschrijven doorspekt van plannenmakerij. Vooral het ministerie van Economische Zaken onderscheidt zich daarin. Zo investeert Economische Zaken vanaf 1976 in een revolutionaire methode om de efficiëntie van elektriciteitscentrales te verhogen (magneto-hydrodynamische energieconversie). Tien jaar later wordt het project gestopt zonder dat er in Nederland ook maar een centrale ervan is voorzien. Ook van de ambitieuze plannen op het gebied van zonne-energie komt uiteindelijk weinig terecht.

Illustratief, zegt Lintsen, is ook het voorbeeld van de Nederlandse windindustrie. In de jaren zeventig en tachtig heeft Economische Zaken daar veel geld voor beschikbaar gesteld. Nederland moest een industrie ontwikkelen die zou gaan concurreren met Denemarken en tegelijkertijd ook de Nederlandse markt ontwikkelen. Het resultaat is nihil. Er werden concrete doelen gesteld voor het aantal megawatt aan vermogen dat windmolens in 2010 of 2020 zouden moeten leveren. Ook die werden bij lange na niet gehaald.'

Lintsen heeft weinig vertrouwen in dit soort industriepolitiek. De economie stagneert en men ziet een prachtige kennispool op de universiteiten. Die moet gemobiliseerd worden, want het is een aanjager van de economie. Zo staat het letterlijk in de beleidsstukken. Ik geloof daar helemaal niet in. Het ministerie kan niet bepalen: hier zijn we met zijn allen goed in, laten we een markt uit de grond stampen.'

Zelfs de succesverhalen aan de TU Eindhoven laten zien hoe moeilijk het is om verwachtingen waar te maken. Op het biomedische vlak zijn er in Eindhoven doorbraken geweest die er uitspringen', zegt Hans Schippers. Voorbeelden zijn het onderzoek naar de mechanische werking van heupprothesen en onderzoek naar hartkleppen. Eindresultaat hiervan was een kunststof hartklepprothese. Maar de hartprothesen worden niet meer gemaakt voor implantatie, zoals aanvankelijk de bedoeling was. Ze worden gebruikt om natuurlijke weefsels op te laten groeien.''

Ook in het bamboe-onderzoek vinden onderzoeksresultaten op onverwachte wijze toepassing. Schippers: In de woningbouw bleek het materiaal maatschappelijk niet acceptabel. In plaats daarvan heeft bamboe zich waargemaakt in de huisinrichting en bij de constructie van bruggen.'

Lintsen: Natuurlijk heeft niet alleen de TU Eindhoven met die onvoorspelbaarheid te maken. Het top down aansturen van wetenschappelijk onderzoek is o zo moeilijk. Het is Philips op het Natlab ook nooit gelukt. Je ziet de grootste successen voortkomen uit mislukkingen. Videolongplay is een mislukt project, maar Philips maakte daarbij wel voor het eerst gebruik van informatie in optische vorm. Die kennis is uiteindelijk gebruikt in de cd-speler waarvan Philips en Sony de uitvinders zijn.'

Onderzoekers moeten, zegt Lintsen, hun weg vinden in een technisch labyrint: Technologische vernieuwingen volgen geen rechte lijn. Je kunt wel een beetje sturen, maar uiteindelijk kom je toch heel ergens anders terecht dan je van tevoren bedacht had. Er kunnen allerlei paden bewandeld worden, maar het is op voorhand moeilijk te zeggen wat het succesvolle pad wordt. Nieuwe technologieën komen op, beleid verandert. Daardoor worden plotseling wegen afgesloten en gaan andere weer open.' In al die onzekerheid, zegt Lintsen, is het onmogelijk om te voorspellen of innovaties economisch of maatschappelijk voordeel zullen opleveren. Het is al niet eens goed te meten. Daarom is een eenzijdige focus op kennisvalorisatie funest. Je moet breder kijken.'

U schrijft dat onderzoeksgroepen niet zo zeer beoordeeld moeten worden op de mate waarin hun kennis geld of maatschappelijk nut oplevert, maar op de manier waarop zij functioneren in netwerken van onderzoekers, bedrijven en instellingen. Wat bedoelt u daarmee?

Lintsen: Je moet kijken of een groep goed is ingebed, of onderzoekers goede contacten hebben, met andere wetenschappers, maar ook met bedrijven en de maatschappij als geheel.'

Maar hoe beoordeel je dan of een onderzoeksgroep het goed doet?

Je moet je doelstellingen formuleren op het niveau van deze netwerken. Dat betekent dat het er niet om gaat de economie aan te jagen of een hele nieuwe markt uit de grond te stampen, maar om kennis er vergaren en inzichten te verwerven rond concrete problemen. Ontwikkelaars van hartkleppen zullen zich ten doel stellen om meer te begrijpen over de manier waarop het bloed door ons hart stroomt. Dat betekent dat de ambities en verwachtingen van een onderzoek meer op detailniveau worden geformuleerd.'

Hoe moeten we het onderzoek van de TU Eindhoven in dit licht beoordelen?

Lintsen: De samenwerking met grote bedrijven functioneert vaak goed. De Shells en Philipsen van deze wereld hebben industriële laboratoria en personeel met een universitaire opleiding. Zij profiteren het meest van de samenwerking met universiteiten.'

Schippers: Goed zijn ook de contacten met academische ziekenhuizen en met medische maatschappen. Ook daar heb je te maken met hoogopgeleide mensen met een wetenschappelijke achtergrond. Moeilijker ligt de samenwerking met het midden- en kleinbedrijf. De TU heeft daarvoor een Innovation Lab opgericht. Daar zijn ook wetenschapswinkels ondergebracht, ook al willen ze dat zelf eigenlijk niet.' Lintsen: Ik houd van een universiteit die maatschappelijk is ingebed. Een universiteit die niet alleen contact heeft met de Philipsen en Storken van deze wereld, maar ook met mensen die last hebben van vocht in hun huis en constateren dat de woningbouwvereniging er niets aan wil doen.''

'Gedreven door nieuwsgierigheid. Een selectie uit 50 jaar TU/e onderzoek.' Prof. dr.ir. Harry Lintsen, dr. Hans Schippers (red.) Stichting Historie der Techniek en TU/e.