Robin

Een studente geneeskunde doet verslag van haar stage. Vandaag op de afdeling oncologie.

Nerveus loop ik door het academisch ziekenhuis. Vandaag begin ik als 'kinder-co' op de afdeling 'oncologie'. Ik heb inmiddels anderhalf jaar ziekenhuis achter de rug. Toch kan ik me bij dit co-schap niets voorstellen. Zieke kinderen: hoe ga je daar mee om?

Plotseling sta ik voor twee rood-blauwe schuifdeuren, volgehangen met tekeningen en ballonnen. Ze steken fel af tegen de klinisch wit-groene gangen. Als een scheidingslijn: hier stopt het 'ziekenhuis' en begint het 'kindereiland'.

Aan de andere kant van de deuren spelen vier jongetjes tikkertje. Eén van hen, een jochie van een jaar of vijf, botst bijna tegen me op. Geschrokken staat hij stil, kijkt naar me op met grote, ernstige ogen. Ik wil iets grappigs zeggen, maar voor ik wat kan uitbrengen is hij al weer doorgerend. Ik staar naar de blote voetjes onder de rode Bert en Ernie-pyjama. Zijn kale hoofdje lijkt veel te groot voor het tengere lichaampje. Hoeveel chemokuren zou hij al gehad hebben?

De gang ligt bezaaid met speelgoed en knuffeldieren. De verpleegkundigen dragen blauwe pakken, versierd met buttons, naamkaartjes en knuffels. Ze lachen, spelen met de kinderen en maken grapjes met de ouders.

En toch klopt dit kindereiland van geen kant. Het is alsof de kinderen geen échte kinderen zijn. De ogen te wijs, de gezichtjes te bleek. Het lijken meer een soort minimensjes die spélen dat ze kinderen zijn. Een toneelstuk waaraan iedereen meedoet. Artsen, verpleegkundigen, ouders: niemand valt uit zijn rol.

En plotseling ben ik bang: Wat is mijn rol hier eigenlijk? Stel dat ik het spel bederf? Mirjam, de arts-assistent, komt de gang oplopen. 'Ben jij de nieuwe co-assistent? Ik laat je zo de afdeling zien, maar ik moet eerst een lumbaalpunctie doen.'

We wandelen een éénpersoonskamertje in. In het midden staat een bedje met erboven een prikbord vol kaarten. Op de ramen zijn gekleurde clowns geplakt. Het jongetje met de Bert en Ernie-pyjama zit op de grond met een treintje te spelen. Zodra hij Mirjam ziet, begint hij hartverscheurend te krijsen.

Mirjam legt zijn ouders de procedure uit. Ik vang, door het gekrijs, alleen wat steekwoorden op: 'Chemokuur... natuurlijk niet de eerste keer... infuus... daarom ruggenprik...' Moeder en vader sleuren hem mee naar de behandelkamer. Daar nemen drie verpleegkundigen het over. En de deur gaat dicht. 'Het is beter als de ouders hier niet bij zijn. Dan heeft hij die negatieve associatie niet met hen', fluistert een van de verpleegkundigen me toe.

Twee blauwe pakken nemen het jochie in de houdgreep. Hun sussende woorden klinken geroutineerd: 'Rustig, Robin. Rustig maar.' Het derde blauwe pak staat naast Mirjam en reikt haar de spullen aan voor de ruggenprik.

Ik sta in de hoek van de kamer, niet in staat om te bewegen. Ik zie alleen maar die grote, bange ogen, ik hoor alleen maar zijn gegil. Bloederige buikoperaties konden mij niet doen duizelen. Maar nu lijkt het of mijn benen het begeven. Ik hou me vast aan de muur, concentreer me op mijn ademhaling.

Ik wil Robin redden, hem uit hun handen rukken, hem uren vermaken met Bert en Ernie-imitaties. Maar ik doe exact het tegenovergestelde: ik ga van mijn stokje.