Rechtvaardige rechters

De tekst was te omvangrijk om door één persoon te worden uitgesproken. Zonder pauze, onvermoeid, lazen ze het voor. Drie personen, drie stemmen die de slotcadens ten tonele voerden. Nee, ik hoorde één stem, de stem van het recht. Het vonnis inzake de Hofstadgroep werd door drie rechters gedurende een aantal uren uitgesproken. Het recht in de eerste aanleg heeft gesproken, en de kernvraag luidde: Vormde de Hofstadgroep een criminele organisatie met een terroristisch oogmerk (art. 140a Wetboek van Strafrecht)? De rechtbank achtte bewezen dat de groep de contouren vertoonde van meer dan een toevallige verzameling individuen. Daarmee volgde de rechtbank de bestaande theorieën en jurisprudentie over de 'criminele organisatie'. Dit is een strafrechtelijke constructie.

Bij gewone criminelen is geld het bindmiddel binnen de groep. Bij organisaties die in naam van een hogere orde misdrijven willen plegen, is uiteraard de groepsideologie het bindmiddel. Wat hield dat bindmiddel in?

'Hun radicaal-extremistische geloofsovertuiging en een daarop gestoelde haat tegen de democratische rechtsorde en tegen andersdenkenden en de rechtvaardiging voor het gebruik van geweld.' Niet de haat tegen de democratische rechtsorde op zichzelf, maar het gebruik van geweld gaf aan dit bindmiddel een misdadig karakter. Overigens hoeft het bindmiddel niet van nature misdadig te zijn: geld en seks zijn geen misdadige fenomenen, maar ze kunnen wel een bindmiddel zijn voor een criminele organisatie. De context is bepalend voor het interpreteren van strafrechtelijke begrippen.

Het oogmerk van de organisatie (de Hofstadgroep) bestond uit het plegen van deze misdrijven: opruiïng (art. 131), het in voorraad hebben van opruiende geschriften (art. 132), bedreiging (art. 285 lid 3) en het aanzetten tot haat (art. 137d). Maar heeft deze organisatie ook een terroristisch oogmerk? Hier begint het probleem. De delicten opruiing en haatzaaien vallen niet onder de terroristische misdrijven. Dit zijn toch de meest gangbare misdrijven die door dit type delinquenten wordt gepleegd. Het is dan ook onbegrijpelijk dat bijvoorbeeld het oproepen tot het plegen van aanslagen wel strafbaar is (opruiing) maar nog geen terroristisch misdrijf. Deze blunder is niet te wijten aan de rechter, maar aan de wetgever. Dezelfde wetgever die nog onlangs de rechters genadeloos heeft bekritiseerd, moet zich wel schamen dat deze vaak voorkomende delicten niet onder de terroristische misdrijven zijn geplaatst. Hiervoor heb ik regelmatig, onder andere op deze plaats, gewaarschuwd.

De bedreiging valt wel onder de terroristische misdrijven. Hadden de leden van de Hofstadgroep het delict bedreiging niet gepleegd, dan hadden ze niet veroordeeld kunnen worden wegens een terroristisch oogmerk, en niet omdat de rechter erg soft is.

De wetgever is erg suf. Zo is ook het bezoeken van een trainingskamp nog steeds niet strafbaar. Nogmaals, niet de rechter, maar de wetgever is hier in gebreke gebleven. En het ministerie van Justitie? Daar zijn de ambtenaren aan een ingrijpende intellectuele reorganisatie toe.

De wetgever heeft het terroristische oogmerk als volgt gedefinieerd: 'Het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.' Jason W., de handgranatenwerper, werd wel door de rechter veroordeeld wegens poging tot moord, maar niet voor moord met een terroristisch oogmerk. Omdat hij met die handgranaten geen vrees wilde aanjagen.

Met deze redenering van de rechter ben ik het niet eens. Stel dat een jihadist met vier handgranaten een zaal binnen komt en een handgranaat tot ontploffing laat komen. Zouden we hem dan vrijspreken van een terroristisch oogmerk? Maar als hij bij zijn binnenkomst had geschreeuwd: 'Ik dood jullie in naam van Allah', dan zou hij zeker een terroristisch oogmerk hebben gehad. Het gaat om dezelfde persoon en dezelfde context.

Aan Nouredine el F. werd wegens het in bezit hebben van verboden wapens evenmin een terroristisch oogmerk toegeschreven, omdat de rechtbank niet kon vaststellen wat de betrokkene met het wapen van plan was. Vreemd genoeg kon de rechtbank wel vaststellen dat diezelfde persoon deelnam aan een criminele organisatie met terroristisch oogmerk. Hier moet toch een eenheid van persoonlijke en contextuele omstandigheden worden verondersteld waarin de verdachte verkeerde.

Wie een wapen heeft, en lid is van een terroristische organisatie, wil in beginsel met zijn wapen vrees aanjagen.

Aan handelingen van iemand die in naam van Allah een cineast vermoordt en onmiddellijk daarna ook op de politieagenten schiet, komt het predikaat 'terroristisch oogmerk' toe. In beide gevallen (schietpartij op de cineast en de politieagenten) wilde hij immers de samenleving vrees aanjagen.

Het vonnis is zeer uitvoerig gemotiveerd. De rechters hebben daarbij aangegeven welk bewijsmateriaal overtuigend en wettig is. Ook hebben ze zeer minutieus aangegeven dat waar het geweld begint, daar eindigt de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid. De straftoemeting getuigde van een gedifferentieerde benadering: enerzijds wordt niet iedereen op dezelfde wijze gestraft, anderzijds wordt de rechtsgelijkheid streng in acht genomen. Dit vonnis zou bij velen die nog niet gerekruteerd zijn, preventief kunnen werken. In ieder geval heeft de rechter de grenzen van het toelaatbare gemarkeerd. Dit proces heeft bewezen dat het strafrecht niet als een ondeugdelijk middel mag worden beschouwd in de strijd tegen het terrorisme. Een terreurbestrijding zonder het strafrecht zou de rechtsstaat in serieuze problemen kunnen brengen. De rechtvaardige rechters hebben de stem van het recht vertolkt.