Islam uit de vergelijking

Eindelijk! Professor Postel vouwt het boek open en laat zijn vinger over de bladzijden glijden. Wat is het toch heerlijk om de nieuwste vakliteratuur te lezen! Een vooraanstaand astronoom als hij kan toch geen genoegen nemen met de teksten van de Oude Grieken. Hoeveel eeuwen is dat wel niet geleden? De sterrenkunde heeft al die tijd niet stil gestaan. Nee, neem dan dit prachtige boek met zijn geraffineerde illustraties en nieuwste theorieën. Goed, hij moest er een lange reis voor maken, van Parijs naar het centrum van de wetenschap, helemaal aan de andere kant van de wereld. Maar het staat er allemaal wél: de berekeningen van de planeetbanen, de observaties van eclipsen. En wat een voorrecht dat hij deze tekst in de oorspronkelijke taal kan lezen, al eeuwenlang de taal van wetenschap en cultuur! In de marges maakt hij zelfs aantekeningen om zijn collega's met de uitspraak te helpen. Want een beetje wetenschapper spreekt toch Arabisch.

Dit is niet het begin van een nieuwe thriller van Dan Brown. In 1536 stuurde de Franse koning de astronoom Guillaume Postel, hoogleraar aan het Collège Royal, als afgezant naar het Ottomaanse hof met de opdracht om wetenschappelijke teksten voor de bibliotheek in Parijs te bemachtigen. Postel was daar uitermate geschikt voor. Naast Grieks, Latijn en Hebreeuws beheerste hij ook Arabisch. Hij bracht onder andere een werk mee naar huis van Nasir al-Din al-Tusi, een dertiende-eeuwse shi'itische sterrenkundige uit Iran. In dat boek, geschreven in de periode vlak na Dzjengis Khan, werd een flinke stap gezet in de richting van wat nu het heliocentrische zonnestelsel van Copernicus heet, het model waarin de planeten om de zon draaien in plaats van om de aarde. Was Copernicus op de hoogte van deze Arabische tekst? Er is wel een afbeelding in zijn werk die verdacht veel lijkt op een origineel van al-Tusi. Misschien wordt het toch tijd voor De Copernicus Code.

Maar los van deze mogelijke sterrenkundige thriller is één ding duidelijk. Aan het begin van de Renaissance, aan de vooravond van de explosie van Westerse technologie, had Europa zeer veel te danken aan de islamitische wetenschap. Het is een wijdverbreid misverstand dat Arabische geleerden in de donkere dagen van onze middeleeuwen louter het kaarsje van de Griekse beschaving brandend hadden weten te houden, als nachtwakers die slechts op het kostbare antiek hadden gepast. Integendeel, er werd in de Arabische wereld juist grote vooruitgang geboekt in de sterrenkunde, de geografie en de meetkunde, onder andere om nauwkeurig de richting van Mekka te kunnen bepalen. Vanwege de geografische uitgebreidheid van het Arabische rijk moest daarbij serieus rekening gehouden worden met de kromming van het aardoppervlak.

De grote wiskundige al-Chwarizmi (later verbasterd tot het Westerse woord algoritme) was in de negende eeuw huisastronoom van de kalief van Bagdad (ja, Bagdad). Wat wij nu algebra noemen is afkomstig van het woord al-jabr, letterlijk het 'overgooien' van een term van de ene kant naar de andere kant van een vergelijking, uit zijn boek Hisab al-jabr w'al-muqabala (vrij te vertalen als 'jongleren met getallen'). Iedere middelbare scholier die met een vierkantsvergelijking worstelt, staat daarmee in een rijke moslimtraditie. Onze moderne wiskunde staat in stijl en inhoud veel dichter bij de Arabische dan de Griekse wereld. Ik doceer aan de Universiteit van Amsterdam, een typische grootstedelijke universiteit met een omvangrijk, maar slecht ontgonnen allochtoon achterland. Is het niet een mooie gedachte dat studenten, moslim of niet, daar nu colleges al-jabr kunnen volgen (weliswaar in een gebouw vernoemd naar Euclides).

Arabische wetenschappers zijn terecht trots op hun verleden en voelen dat de bijdragen van hun cultuur door het Westen stelselmatig worden onderschat. Ze zijn als het ware uit de vergelijking gehaald. Het gaat daarbij niet eens zo zeer om wíe precies wát als eerste heeft gedaan, dan om het feit dat de bijdragen van verschillende culturen aan elkaar schatplichtig zijn, dat er een natuurlijke stroom van ideeën is. Je hoort in de wetenschap zorgvuldig te verwijzen naar de geraadpleegde bronnen, maar dit wordt maar al te vaak vergeten.

In de tijd van Guillaume Postel lag deze intellectuele verwevenheid meer aan het oppervlak. Zo verkregen de Medici's in Florence aan het einde van de zestiende eeuw pauselijke fondsen om de eerste Arabische drukkerij op te zetten, om het christendom in de Arabische wereld te ondersteunen en verder te verspreiden. Maar van welk boek werden door deze uitgeverij meer kopieën gedrukt en verkocht dan de Bijbel? Van een bewerking van de Elementen van Euclides door al-Tusi - jawel, die van De Copernicus Code; het plot verdikt zich hier - een tekst die ook in de boekenmand van Postel zat. Wetenschap was toen al in staat door religieuze barrières te breken.

In de wereldgeschiedenis migreren zwaartepunten gemakkelijk over de wereldbol. Sommige landen hebben het voorrecht één van die tussenhaltes te zijn. Het is nooit meer dan een tussenhalte, want niets is zo vergankelijk als het centrum van macht, handel of kennis. Zo reisde het hart van de wereldhandel de laatste duizend jaar langs een reeks van havensteden: van Constantinopel, via Venetië, Genua en Antwerpen naar Amsterdam, waar het lang genoeg bleef hangen om ons land zijn Gouden Eeuw te bezorgen. Maar de geschiedenis stopt nooit en de reis ging verder: naar Londen, over de Atlantische Oceaan naar New York, en nu nog verder westwaarts naar het Verre Oosten.

Maar er blijft toch altijd iets van de oude roem hangen. Al die kosmopolitische handelssteden kunnen elkaar door de eeuwen heen de hand reiken. De gloriedagen van de 17de eeuw, met de openheid voor buitenlandse culturen, ongebreideld kapitalisme en bloei van de kunsten, liggen ver achter ons. Ook Nederlanders weten hoe het voelt om een has been te zijn. Maar een wandeling langs de oude Amsterdamse grachten brengt die tijd weer dichterbij en helpt ons om iets te begrijpen van de dynamiek van het Victoriaanse Londen of het Sjanghai van de 21ste eeuw.

Op dezelfde wijze is de bloeiperiode van de Arabische wetenschap nog altijd aanwezig. In hun 'gouden millennium' was bijvoorbeeld de regio rond Irak en Iran - nu synoniem met sektarisch geweld, zelfmoordacties en fundamentalisme - een culturele oase waar niet alleen moslims, maar ook joden en christenen vrijelijk konden discussiëren over algebra, meetkunde, sterrenkunde en poëzie. Hetzelfde gold voor het middeleeuwse Spanje onder de Moren. De Arabische wetenschap is de missing link tussen Oudheid en Renaissance en vormt daarmee ook een essentieel onderdeel van onze Europese geschiedenis.

Er is zelfs een weeffoutje dat ons iedere dag aan onze islamitische wortels herinnert. Het heeft te maken met de decimale notatie, van oorsprong een Indiase uitvinding, die via de Arabische wereld tot ons gekomen is. Die decimalen zijn erg handig, want heeft u wel eens geprobeerd een boekhouding bij te houden met Romeinse cijfers? Er is echter één slordigheid gemaakt in de vertaling. Neem bijvoorbeeld het getal 137. In decimale notatie staat dit voor 1×100 + 3×10 + 7×1. Schrijft u dit getal nu eens (in gedachten) op. U begint dan vast met de 1. Maar die 1 heeft op dat moment nog geen betekenis. Hij kan staan voor een 1, maar ook voor honderd of een miljard. Wat het is wordt pas duidelijk als u de andere cijfers van het getal geschreven heeft. Zou het niet veel logischer zijn om aan de andere kant te beginnen en eerst de 7, vervolgens de 3 en dan pas de 1 te schrijven? Dan weet je direct waar je aan toe bent.

Maar wacht even! Het Arabisch wordt van rechts naar links geschreven, de omgekeerde richting van ons schrift. En dat geldt net zo goed voor cijfers als voor letters. We hebben in de vertaling niet goed opgelet en schrijven onze getallen, in tegenstelling tot onze woorden, nog steeds in de 'Arabische' richting, van rechts naar links. Misschien niet de enige keer dat het Westen de islamitische cultuur verkeerd om begrepen heeft.