De sputterende emancipatiemachine

Wie suggereert dat de het duidelijke gewicht van de allochtone stem in de gemeenteraadsverkiezingen bewijs is van integratie, miskent het gevaar van een etnisch eilandenrijk. De cijfers uit Amsterdam en Rotterdam laten zien hoe groot de problemen zijn - en daarbij steekt de hoofdstad helemaal niet gunstiger af dan de Maasstad. Werkloosheid, witwassen van Cito-toets scores, segregatie - de grote steden moeten niet tegenover elkaar staan, maar samenwerken.

Tekeningen Milo Milo

De gemeenteraadsverkiezingen waren volgens sommigen een feest voor de democratie. De hogere opkomst van kiezers uit de migrantengemeenschappen werd bejubeld en een landelijk ochtendblad sprak instemmend over een 'zwarte middelvinger'. De allochtone stemmers hadden duidelijk gemaakt waarom zij de toon van het kabinet onaanvaardbaar vinden. Dat was toch een duidelijk bewijs van integratie?

Na de blanke middelvinger van 2002 nu dus de zwarte middelvinger van 2006. Actie en reactie, de uitslagen horen bij elkaar en laten een polarisatie zien die voortvloeit uit de problemen in de grote steden. De verklaring voor beide uitslagen is dezelfde: vrees voor verandering, een roep om bescherming. Voor wie er wil besturen is de opdracht duidelijk: de vervreemding aan 'autochtone' en 'allochtone' kant moet worden overwonnen. Wanneer verandering louter als een verlies wordt ervaren, zal de tweedeling langs etnische lijnen zich verdiepen en zal een administratief begrip als 'allochtoon' werkelijkheid worden. 'De allochtone stem': wie sprak daar nog over integratie?

Dat migranten meer opkomen bij verkiezingen is toe te juichen. En dat migranten en masse voor één partij kiezen, kan als oppositioneel gebaar worden begrepen en toont het zelfcorrigerende vermogen van een democratie. Dat is helemaal geen probleem, integendeel. Maar zou dit een patroon worden, dan zou dat slecht nieuws zijn, hoezeer sociaal-democratische Kamerleden ook opgeven 'over een trend die is gezet'. Het zou namelijk in steden waar de helft van de bevolking allochtoon is, op den duur kunnen zorgen voor een witte vlucht in stemgedrag. Het samenvallen van etnische en politieke scheidslijnen is niet goed voor het vertrouwen in de democratie.

Willen we dat een autochtone stemmer zich vertegenwoordigd kan voelen door Aboutaleb of Griffith of willen we dat iedereen stilletjes denkt 'eigen volk eerst'? Dat laatste kan alleen maar worden vermeden als Surinaamse of Turkse kiezers niet alleen op eigen kandidaten en zeker niet allemaal op één partij stemmen. Blijven we ons oriënteren op een verdeelde herkomst of op een gemeenschappelijke toekomst?

Het kan niemand verbazen dat veel migranten zich vooral richten op hun eigen groep, maar wanneer dat niet uitloopt op een vereenzelviging met de samenleving als geheel, zal de segregatie alleen maar verder toenemen.

Wat voorkomen moet worden is een terugval in de multiculturele droom van weleer, al was het maar omdat de problemen in de afgelopen jaren er werkelijk niet minder op zijn geworden. Je hoort her en der: 'de allochtonen hebben voor ons gekozen, nu moeten wij voor de allochtonen kiezen'. De stemdiscipline kan gemakkelijk tot cliëntelisme leiden, wat uiteindelijk ook voor migranten niet goed is. Zoals publicist Mohammed Benzakour schreef: 'Het leidt tot degradatie van het onafhankelijke, individuele denken en kiezen. Dit is droevig, temeer daar we zo natuurlijk en voortvarend op weg waren los te komen van die etnische gesegregeerde dwangbuis.'

Willen we deze patstelling doorbreken, dan moet allereerst nuchter worden gekeken naar de toestand in de grote steden. De socioloog Van Doorn schreef in een commentaar op de verkiezingen over de positie van migranten: 'Ze staan niet, zoals vroeger de Nederlandse arbeiders onder op de maatschappelijke ladder, maar ze staan er grotendeels naast. Ze zullen de nodige stappen moeten zetten alvorens de onderste treden te kunnen bestijgen. Dat wil zeggen dat de PvdA naast een sociale emancipatietaak ook een culturele integratieopdracht krijgt toegeschoven.' Hij heeft gelijk, maar dat geldt evenzeer voor de andere grote partijen, die zich ook de uitslag van de verkiezingen zeer moeten aantrekken.

Nog steeds wordt de grootstedelijke problematiek niet op waarde geschat. Zo zijn Amsterdam en Rotterdam de afgelopen jaren voortdurend tegenover elkaar gesteld, als zouden de problemen in die laatste stad veel urgenter zijn. Het heeft ertoe geleid dat deze steden een verschillende weg hebben gekozen en dat Amsterdam met de rug is gaan staan naar de regering, die onlangs nog door stadsbestuurders hooghartig werd gekwalificeerd als een 'plattelandskabinet'. Allemaal niet erg productief, wanneer men de belangen van de eigen burgers wil dienen. Een vergelijking van deze steden pakt helemaal niet zo eenduidig in het voordeel van Amsterdam uit. Zeker, er is genoeg dat voor de hoofdstad spreekt. Zo is de beroepsbevolking in Amsterdam beter opgeleid en toegerust op een postindustriële samenleving. Uitgesplitst tussen een laag, midden en hoog opleidingsniveau is de verdeling voor Amsterdam respectievelijk 21, 34 en 45 procent. Voor Rotterdam zijn die cijfers 34, 36 en 30 procent. Waar er verschillen zijn, worden die vooral veroorzaakt door de omvang van de laagopgeleide autochtone bevolking, terwijl de prestaties van de migranten en hun kinderen zeer vergelijkbaar zijn.

De werkloze beroepsbevolking in Amsterdam is 8 procent tegenover 10,5 procent in Rotterdam en het gemiddeld besteedbare inkomen is in Amsterdam hoger: 13.700 versus 12.200 euro. Dat laatste heeft overigens veel te maken met het aandeel van westerse migranten in de bevolking van Amsterdam, dat twee keer zo hoog is als in Rotterdam (10 tegen 5 procent). En die migranten verdienen goed.

Al die gegevens bevestigen de gangbare indruk dat Amsterdam er beter voor staat. Toch is dat lang niet het hele verhaal. Kijken we naar de uitkeringsafhankelijkheid, dan zien we dat Amsterdam het slechter doet dan Rotterdam, ondanks de zwakkere economie van die laatste stad. Tellen we namelijk de werkloosheidsuitkeringen, bijstand en arbeidsongeschiktheid bij elkaar op, dan zien we dat in de hoofdstad 14,1 procent en in de grootste havenstad 13,5 procent van de beroepsbevolking afhankelijk is van een uitkering. Dat komt omdat in Amsterdam aanzienlijk meer mensen arbeidsongeschikt zijn dan in Rotterdam, wat merkwaardig is gezien het zwaardere werk in de haven.

Kijken we naar een ander gegeven: de segregatie, het uit elkaar groeien van bevolkingsgroepen in de wijken en de scholen van de stad. Uit de rapportage van de Dienst Onderzoek en Statistiek van de gemeente Amsterdam blijkt dat in Rotterdam de segregatie is afgenomen, terwijl die in Amsterdam juist is toegenomen. Dat is slecht nieuws. Wanneer het motto is 'de boel bij elkaar houden', dan moet de groeiende segregatie toch als een aanwijzing worden gezien dat het beleid niet werkt.

Kijken we vervolgens naar het onderwijs, waar de gegevens ronduit alarmerend zijn. Ook in Amsterdam zijn de trends overwegend negatief. Van alle jongeren tussen de 17 en 23 jaar in Amsterdam heeft gemiddeld 44 procent geen startkwalificatie, dat wil zeggen minimaal twee jaar middelbaar beroeps onderwijs (zeg maar mavo plus). Uitgesplitst over de verschillende groepen levert dat het volgende beeld op: Surinamers 67,9, Antilianen 51,7, Turken 54,3, Marokkanen 61 en Nederlanders 30,8 procent. Dan hebben we het over de jeugd die de toekomst van de grote steden zal bepalen en dat beeld is dus zonder meer slecht.

Het probleem van gemiddelden is dat de toenemende verschillen binnen etnische groepen niet zichtbaar worden. Zo zit ongeveer driekwart van de Turkse en Marokkaanse leerlingen op het vmbo, maar ook een kwart op havo/vwo. Dat kwart mag niet uit het oog worden verloren, al is het wel duidelijk dat zij nog steeds aanzienlijk oververtegenwoordigd zijn op het vmbo en daarbinnen weer in de lagere leerwegen.

De werkelijke stand van zaken in het basisonderwijs wordt door de manipulatie van Cito-scores aan het zicht onttrokken. De groep zogenoemde 'zorgleerlingen' die buiten de score wordt gehouden, bedroeg in 2005 in Amsterdam op 6.300 leerlingen in groep 8 niet minder dan 1400, dat wil zeggen: bijna een kwart van de leerlingen in het basisonderwijs wordt niet meegeteld. Dat aantal is in de afgelopen drie jaar toegenomen van 17 naar 23 procent. Geen wonder dat de gemeente Amsterdam elk jaar rapporteert dat de Cito-scores stijgen. In Rotterdam werd in 2005 18,8 procent van de schoolpopulatie buiten de Cito-score gehouden.

Wethouder Aboutaleb verdedigt het witwassen van de scores met het argument dat het vooral om leerlingen gaat die pas kort in Nederland zijn. Dat klopt eenvoudigweg niet. Van de 1400 leerlingen gaat het in de rapportage van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente slechts om 40 leerlingen die te kort in Nederland zijn. De overigen hebben dermate grote leerachterstanden en/of gedragsproblemen dat een reguliere loopbaan in het onderwijs er niet in zit. Een kwart van de leerlingen, dat is heel veel. Ten slotte de positie van de minima. Bijna eenderde van alle jongeren, zo'n 40.000 in totaal, in die stad groeit volgens de Amsterdamse armoedemonitor 2005 in armoedige omstandigheden op. Opnieuw is het beeld voor de etnische minderheden niet goed: van de Marokkaanse jongeren leeft 46 procent op de armoedegrens, van de Antilliaanse jongeren 43procent, van de Turkse jongeren 38 procent en van de Surinaamse jongeren 36 procent.

Dat zijn allemaal voorbeelden die duidelijk maken dat Amsterdam het weliswaar aan de bovenkant beter doet dan Rotterdam, maar dat aan de onderkant de problemen in beide steden zeer vergelijkbaar zijn, wanneer we kijken naar kwesties als schooluitval, jongeren zonder startkwalificatie, armoede, uitkeringsafhankelijkheid, segregatie en criminaliteit. Ook al heeft de houding van burgemeester Cohen na de moord op Theo van Gogh veel waardering gekregen, gemeten aan de eigen doelstellingen zijn de resultaten van het stadsbestuur mager te noemen.

Voorstellen zijn er genoeg, bijvoorbeeld om voor de zwakkere leerlingen de basisschool een jaar te verlengen of om door middel van eigentijdse internaten voor meer sociale controle te zorgen voor leerlingen uit problematische gezinnen. En dan is er de roep om een hervorming van het vmbo die op korte termijn tot iets moet leiden. We weten dat het met de eerste generatie migranten niet goed is gegaan. Nu dreigt een aanzienlijk deel van de tweede generatie, de schoolgaande jeugd, op een doodlopend spoor te raken.

De emancipatiemachine die de grote stad zou moeten willen zijn, sputtert en valt stil. Dat heeft naast sociale ook culturele oorzaken. Willen we de impasse overwinnen, dat moet de zinloze polemiek tussen een sociaal-economische en een culturele benadering van het integratievraagstuk worden gestaakt. Het is zonneklaar dat beide onontbeerlijk zijn. Emancipatie is meer dan materiële lotsverbetering alleen, maar altijd ook wat vroeger culturele 'verheffing' werd genoemd en wat we nu als burgerschap zouden kunnen omschrijven.

Er is een botsing gaande tussen de vaak traditionele gezinsmoraal van migranten en een moderne, geïndividualiseerde samenleving. Het islamdebat in Rotterdam was een poging om met vallen en opstaan het gesprek daarover te voeren. Hoeveel avontuurlijker en spannender was dat vergeleken met de brave campagne 'wij Amsterdammers'. Er gist meer binnen de migrantengemeenschappen dan vaak wordt aangenomen en het gaat erom de stemmen die aandringen op verandering te horen. Dat er nu bijvoorbeeld initiatieven zijn in de Turkse gemeenschap om het probleem van de eerwraak aan de orde te stellen, is belangrijk, omdat het geweld tegen vrouwen geen marginaal verschijnsel is.

Er zijn tekenen van vrijheid en tegelijk is een vervreemding zichtbaar die iedereen zorgen moet baren. De uit Somalië afkomstige schrijfster Yasmine Allas merkt op in haar zojuist verschenen Ontheemd en toch thuis: 'Ik ontmoette mensen die al jaren hier woonden, maar die er werkelijk geen idee van hadden wat Nederland was, mensen die alleen door hun cultuur en geloofsgenoten waren omringd, kinderen die hier in dit land waren geboren en getogen maar die nog nooit met Nederlandse kinderen in aanraking waren geweest. Tot mijn verbazing ontmoette ik mensen die gekozen hadden voor dit land, maar er tegelijkertijd met minachting over spraken.'

In die vaststelling ligt een uitnodiging besloten om buiten de eigen etnische gemeenschap te kijken en zich te vereenzelvigen met de stad als geheel. Nu zien we een verdeeldheid van de stedelijke samenlevingen, die steeds meer tot een etnisch eilandenrijk worden zonder al te veel bruggen. Die scheidslijnen maken het belang van een nieuwe middenklasse, die zich ongeacht etnische achtergrond verantwoordelijk voelt voor de steden, alleen maar groter.

Het is onbegrijpelijk dat de grote steden niet meer doen aan rituelen van burgerschap. Om te beginnen zouden ze de naturalisatieceremonie, die vanaf begin dit jaar verplicht is, met veel animo gestalte moeten geven. Wat is er mooier dan de Burgerzaal van het paleis op de Dam, ons eigen stadhuis dat tijdelijk is uitgeleend aan de koninklijke familie, enkele malen per jaar gevuld met duizend nieuwe Nederlanders, die door de burgemeester, door schrijvers, ondernemers, sporters en wie al niet worden toegesproken. Betrek schoolklassen erbij en je maakt op gezette tijden zichtbaar dat de stedelijke bevolking diepgaand verandert en je hebt een verwachting tegenover de nieuwkomers uitgesproken. In de praktijk gebeurt er in de meeste steden, ook in Amsterdam, helemaal niks, in weerwil van alle hooggestemde opvattingen over burgerschap.

Ziedaar grootstedelijke ambities voor de komende jaren. De problemen in Rotterdam en Amsterdam tonen ons in een uitvergrote vorm de problemen van alle grote en middelgrote steden in ons land. Die problemen gaan niet weg door andere politieke verhoudingen. Integendeel, ze behoren iedereen die zich opwerpt als stadsbestuurder te disciplineren. Dat geldt voor de éénpartijstad Amsterdam, maar ook voor Rotterdam. Hoe denken de winnaars de stad te verenigen, waar het de leefbaren niet is gelukt om de etnische verschillen te overbruggen? De sociaal-democraten zijn niet bij machte gebleken om de eigen traditionele achterban terug te winnen en hebben dus redenen genoeg om bescheiden te zijn en samenwerking te zoeken. Wanneer we de loopgraven van zwart versus wit verlaten, zien we dat er au fond geen belangentegenstelling hoeft te zijn tussen 'autochtoon' en 'allochtoon' Nederland. In de steden moeten er toch nieuwe meerderheden te vinden zijn om de problemen met een grotere betrokkenheid aan te pakken. Onderwijsachterstand, uitkeringsafhankelijkheid, jeugdcriminaliteit, religieuze intolerantie of huiselijk geweld zijn problemen die de maatschappij als geheel raken. Dat veel van die problemen in verhevigde mate bijeenkomen in migrantengemeenschappen, kan niemand verbazen die de geschiedenis van onze migratie kent.

Iedereen die geïnteresseerd is in de emancipatie van migranten, zou moeten zien dat het strengere immigratie- en asielbeleid van de afgelopen jaren goed is geweest voor de grote steden. Toen burgemeester Cohen in zijn nieuwjaarstoespraak opmerkte dat Amsterdam een geweldig probleem heeft met armoede, maar dat de instroom van armoede desondanks geen probleem is, ging hij daaraan nogal gemakkelijk voorbij. En dat terwijl de afgelopen decennia toch zo duidelijk hebben gemaakt dat de massale immigratie van laaggeschoolde migranten uiteindelijk ook nadelig werkt voor de kansen op sociale stijging van de betrokken groepen, nog afgezien van de belasting voor de stedelijke samenleving als geheel.

Kunnen we over het geheel genomen zeggen dat het immigratie- en asielbeleid effectief is geweest, met alle discussie over individuele gevallen die nodig is, op het gebied van integratie is weinig tot stand gebracht door de regering. Integendeel: minister Verdonk is druk bezig geweest om de vertrouwensbreuk met de autochtone kiezer te herstellen en daarmee heeft ze bijgedragen aan een vervreemding van de allochtone stemmers.

Die dans van witte en zwarte middelvingers helpt ons niet verder. Als de verkiezingen iets duidelijk hebben gemaakt, is het wel de noodzaak om een terughoudend immigratiebeleid te verzoenen met een uitnodigend integratiebeleid. Dat kan heel goed, maar het vereist wel een helder idee over wat van migranten kan worden gevraagd en waartoe de samenleving zich zou willen verplichten. Dat is tot op heden uitgebleven. De grote steden moeten nu gezamenlijk het voortouw nemen en eigen voorstellen aandragen. Niemand is erbij gebaat dat Amsterdam en Rotterdam tegenover elkaar blijven staan en dat Amsterdam opnieuw de regering links laat liggen.

Buitengewoon hoogleraar grootstedelijke problematiek aan de Universiteit van Amsterdam en publicist

Rectificatie / Gerectificeerd

In het artikel De sputterende emancipatiemachine (18 maart, pagina 15) is een fout geslopen. De cijfers over de startkwalificatie van jongeren tussen 17 en 23 jaar in Amsterdam betreffen alleen jongeren die niet meer naar school gaan. Van hen heeft 67,9 procent van de Surinamers een ontoereikende startkwalificatie (minimaal twee jaar middelbaar beroepsonderwijs), 51,7 procent van de Antillianen, 54,3 procent van de Turken, 61 procent van de Marokkanen en 30,8 procent van de Nederlanders. Cijfers die een representatiever beeld geven over startkwalificaties van de verschillende groepen zijn landelijk en hebben betrekking op de categorie die niet meer naar school gaat tussen 20-34 jaar. In deze categorie ontbreekt het 40 procent van de Surinaams-Antilliaanse jongeren aan een adequate startkwalificatie. Bij Turkse en Marokkaanse jongeren gaat het om zo'n 60 procent en bij Nederlandse jongeren om circa 15 procent. Wat segregatie betreft is in Amsterdam sprake van een toename en in Rotterdam van een afname. Volledigheidshalve dient te worden vermeld dat de segregatie in Rotterdam nog zo'n 4 procentpunt hoger ligt. Bedroeg de zogeheten segregatie -index in 1980 in Amsterdam 30 procent en in Rotterdam 47 procent, nu zijn de percentages respectievelijk 37 en 41.