'Beperkt meezwemmen' met de Duitsers

Voedings- en zeepbedrijf Unilever opereerde listig in de Tweede Wereldoorlog. Een proefschrift beschrijft de goede relaties met de Duitse nazi's, maar ook de hulp aan zijn werknemers.

Zeep voorkomt epidemieën. Daarom waren de nazi's bang fabrikant Unilever aan te pakken. (Foto Unilever)

Direct na de beëdiging van Adolf Hitler in 1933 tot rijkskanselier voelt Unilever zich al gedwongen joodse managers uit de leiding terug te trekken. Duitse concurrenten beschuldigden het Nederlands-Britse levensmiddelenbedrijf dat het niet arisch zou zijn. Enkele joden moesten vertrekken uit de top van de margarine- en zeepfabrieken in Duitsland. Daarmee werd voorkomen dat het nazi-regiem op het idee zou komen de leiding van het concern over te nemen.

De Nederlandse Unilever-manager R. Patijn is niet blij met de promotie tot lid van de raad van commissarissen van een holding, ten koste van een joodse collega. In een brief aan de raad van bestuur van Unilever schrijft hij: 'De campagne is zo onaangenaam dat ik er weinig voor voel hem op te volgen. Niettemin realiseer ik me dat de directie in Duitsland geen echte keuze heeft. Of ze moet zich terugtrekken uit Duitsland, wat in ons geval onmogelijk is, of meezwemmen met de arische stroom.' Bestuursvoorzitter Paul Rijkens antwoordt het met hem eens te zijn, maar maakt een nuance. Hij vindt dat Unilever 'beperkt' met de arische stroom moet meezwemmen.

Dat zou de strategie blijven van Unilever in hele periode dat Hitler aan de macht was, stelt Ben Wubs in het proefschrift 'Unilever between Reich and Empire 1939-1945'. Alleen als het onvermijdelijk is, geeft het concern schoorvoetend toe aan het nazi-regiem. Dat was eigenbelang, maar ook het belang van tienduizenden werknemers in Duitsland -en indirect dat van personeel in veertig landen. Na vijf jaar onderzoek wil Wubs volgende week promoveren aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

Als Unilever zijn winst en bezittingen zou kwijtraken door nationalisatie, zou dat de rest van de onderneming hard treffen. Na Groot-Brittannië boekte Unilever in de jaren dertig de meeste omzet in Duitsland. Het bedrijf had in 1937 een omzet van 1,7 miljard gulden (750 miljoen euro) en was daarmee het grootste bedrijf in Europa met merken als Blueband (margarine) en zeep onder namen als Lux, Persil, Sunlight en Vim.

Unilever begreep snel dat Hitler de joden uit belangrijke functies wilde zetten. Het bedrijf vreesde ook dat het zou worden genationaliseerd. Ruim een half jaar na de installatie van Hitler, hadden beide topmannen van Unilever, Paul Rijkens en Francis D'Arcy, een ontmoeting met de nazi-leider. Op die manier kon het duo er achter komen hoe ze het best konden 'meezwemmen'. Onverwacht was Hitler bereid een vergaand akkoord te tekenen. Als de onderneming wilde produceren 'in het belang van het Duitse Rijk' zou hij niet aan de bezittingen van Unilever komen.

Een jaar later sloot het concern een valuta-akkoord met de Duitse minister Schacht van economische zaken. Via een omweg mocht Unilever zijn Duitse winsten wegsluizen door schepen te bouwen en die voor harde valuta te verkopen aan buitenlandse reders. Het voordeel voor het nazi-regiem was dat Unilever veel werk schiep. Binnen drie jaar werden op de scheepswerven van Unilever 17 vrachtschepen, 26 tankers en 19 trawlers gebouwd.

In juni 1938 ontkwam Unilever weer aan een anti-joodse maatregel. Een nieuwe Duitse wet bepaalde dat een jood in de raad van bestuur betekende dat het bedrijf als joods moest worden aangemeld. Na druk van Duitse topambtenaren was rijksmaarschalk Hermann Göring, die de Duitse oorlogseconomie leidde, toch bereid Unilever tot arische onderneming te verklaren.

Wubs denkt dat Unilever van de nazi-leiding een voorkeursbehandeling kreeg, omdat zijn producten onmisbaar waren. 'Zeep voorkomt epidemieën.' Ook margarine en vetten waren belangrijk in de oorlog. 'Vet leverde goedkope calorieën en stilde het hongergevoel. Vet heb je nodig als je de bevolking rustig wil houden.' De nazi's waren bang met ingrepen deze productie te verstoren.

Meteen nadat Groot-Brittannië in september 1939 Duitsland de oorlog verklaarden, wijzigde Unilever zijn organisatie. Het Engelse en Nederlandse deel werden juridisch gescheiden. De belangen in Groot-Brittannië en Gemenebest (onder meer Australië en India) werden ondergebracht in het Britse deel. De rest, onder meer de Verenigde Staten, viel voortaan onder het Nederlandse deel van Unilever. Bij de notaris lagen een reeks contracten, die na een inval in Nederland het Nederlandse deel veilig stelde. Topman Rijkens hoefde alleen zijn handtekening onder het juiste contract te zetten. Op de dag van de Duitse inval, 10 mei 1940, werden die aandelen met één pennenstreek ondergebracht in twee Zuidafrikaanse holdings.

De Duitse regering deed pogingen delen van het concern in te lijven, maar stuitte op de complexiteit. Ook dat was volgens Wubs een reden dat Unilever lange tijd niet werd aangepakt. 'Het bedrijf had holdings, deelnemingen, een duale leiding in Londen en Rotterdam en honderden fabrieken overal ter wereld.' Daarom benoemde de nazi's een speciale rijkscommissaris die Unilever in de gaten ging houden, Hans-Ernst Posse. De andere rijkscommissaris in ons land heette Arthur Seyss-Inquart. Ook zond Berlijn een accountant naar Rotterdam om de organisatie te ontrafelen.

Deze Duitse accountant, Albert Cantrup, trok daar opvallend veel tijd voor uit: twee jaar. Wat hem er vooral van weerhield terug te keren naar Berlijn, waren zijn torenhoge rekeningen. In totaal declareerde hij een half miljoen gulden bij Unilever. Ter vergelijking: de huisaccountant Price Waterhouse & Co kreeg voor de controle van de jaarrekening 30.000 gulden. Zonder morren betaalde Unilever Cantrup. Wubs: 'Ik kan niet bewijzen dat het smeergeld was. Maar als ik politierechercheur zou zijn, zou ik een sterke verdenking hebben.'

Ook met rijkscommissaris Posse had Unilever een goede verstandhouding. Dat dacht hij tenminste tijdens de oorlog. Na de geallieerde overwinning zond hij vanuit zijn cel Unilever een brief nu hèm te helpen. Posse vroeg onder meer sigaretten en een vulpen van Mont Blanc. Unilever gaf niet thuis.

Het doorzetten van de productie op het Europese continent irriteerde de Nederlandse en Britse regeringen niet. Ook zij konden het zich niet permitteren de multinational voor het hoofd te stoten. Bovendien hadden zij profijt van die goede relaties. De geheime dienst Gestapo verdacht Unilever zelfs van spionage. Rijkens was 'speciaal adviseur' van koningin Wilhelmina in Londen en voorzitter van de Reconstructie Commissie, die plannen maakte voor de wederopbouw van Nederland na de oorlog.

Wubs stelt dat het bedrijf niet fout was in de oorlog. Joodse werknemers die op last van de bezetter moesten worden ontslagen, kregen ruimhartig wachtgeld. Het bedrijf deed verwoede pogingen om de levens van deze werknemers te redden.

Door toenemende armoede en teruglopende aanvoer van grondstoffen daalde de verkoop van Unileverproducten sterk. Toch liet het bedrijf veel personeel op de loonlijst staan. Hiermee werd voorkomen dat duizenden medewerkers naar de Arbeitseinsatz gingen, de tewerkstelling voor de oorlogsindustrie. De Duitsers werd verteld dat die werknemers moesten blijven, zodat ze bij de onregelmatige aanvoer van grondstoffen direct konden worden ingezet.

Unilever had in de oorlog te maken met nazi-ondernemers als tabaksfirma Reemtsma, concurrent Henkel (Dixan, Witte Reus) en een conglomeraat van Göring zelf. Met hulp van de nazi-leiding probeerden ze goedkoop bedrijfsonderdelen van Unilever Duitsland over te nemen. Eigenlijk redde rijkscommissaris Posse Unilever van verdere ontmanteling. Hij had immers de taak om te waken over Unilever: wie aan Unilever kwam, kwam aan Posse. Aan het einde van de oorlog was de productie gedaald tot een minimum. Wat een bankroet voorkwam, was de lancering van allerlei diepvriesproducten. Dit was lucratief na de instorting van de conservenmarkt door een tekort aan tin voor blik.

Na de oorlog besefte Unilever dat de complexiteit het bedrijf had gered, zegt Wubs. De leiding was er van overtuigd dat verdere diversificatie het beste was. 'Gevolg was dat de onderneming alle kanten op ging.' In de jaren vijftig en zestig brouwde Unilever bier, assembleerde auto's en was het de grootste transportfirma van Duitsland.

Wubs: 'Bedrijfsonderdelen hingen als los zand aan elkaar. De onderneming was daardoor bijna onbestuurbaar.' Volgens hem is Unilever eigenlijk sinds die tijd bezig terug te komen tot de çore business. 'Zonder oorlog en nazi-overheersing zou Unilever nu misschien nog steeds het grootste bedrijf van Europa zijn.'