12 Alzheimer-eiwitten veroorzaken eerste geheugenproblemen

Hoe Alzheimer eindigt is bekend: met hersencellen die afsterven door grote aankoeksels van het eiwit ß-amyloïd. Maar hoe dat eiwit verantwoordelijk is voor het begín van de geheugenklachten, daarop krijgen Amerikaanse onderzoekers pas nu grip. Ze verdenken Aß*56, een complex van slechts twaalf ß-amyloïd-eiwitten. Als het wordt ingespoten in de hersens van jonge ratten, lukt het ze maar moeilijk om de weg door een doolhof te onthouden (Nature, 16 maart).

De ziekte van Alzheimer is de meest algemene vorm van dementie. Vooral bejaarden worden er door getroffen. foto bas czerwinski 17-09-2004, DEN HAAG. VERPLEEGHUIS DE LOZERHOF. FOTO BAS CZERWINSKI Czerwinksi, Bas

Bij de ziekte van Alzheimer gaat het geheugen dramatisch achteruit doordat in de hersenen 'seniele plaques' van het eiwit ß-amyloïd gevormd worden, waarna hersencellen afsterven. Dat is echter het eindstadium van een vaak jarenlange geleidelijke achteruitgang van het geheugen. Dáárover is nog niet veel bekend. Vermoed wordt dat de signaaloverdracht tussen hersencellen verstoord wordt. Onderzoekers uit Minneapolis en Baltimore denken dat ze met Aß*56 voor het eerst een stof in de hersenen hebben gevonden die hiervoor verantwoordelijk kan zijn.

ß-amyloïd is een eiwitfragment dat wordt afgesplitst van een veel groter eiwit: APP (Amyloïd Precursor Protein). Het ontstaat ook in gezonde hersenen, maar wordt dan snel afgebroken en verwijderd. In hersenen van een Alzheimerpatiënt stapelen deze fragmenten zich echter op en vormen onoplosbare plaques die uit zeer veel ß-amyloïdmoleculen bestaan. Het ß-Amyloïd kan echter ook in andere vormen voorkomen: los als monomeer, met zijn tweeën als dimeer, gedrieën als trimeer etcetera. Bij meer dan pakweg tien eenheden spreekt men van een oligomeer. Daarvan bestaan er vele, die op diverse plaatsen in het brein voorkomen.

De onderzoekers gingen uit van de hypothese dat er moleculen moeten zijn die het vroege geheugenverlies teweegbrengen. Om die te vinden, leerden zij muizen de weg in een doolhof. Daarbij gebruikten zij een muizenstam die zodanig genetisch was veranderd dat bij oudere dieren in de hersenen amyloïde plaques ontstaan. Jonge dieren hebben nog geen geheugenproblemen en onthouden de weg moeiteloos. Op middelbare muizenleeftijd, 6 tot 14 maanden, kost dit al wat meer moeite. Er is dan echter nog geen sprake van plaque-vorming of andere waarneembare hersenschade. De onderzoekers maakten chemische analyses van de hersenen van die middelbare muizen die, te merken aan de doolhofprestaties, lichte geheugenproblemen hadden.

Daarbij vonden zij abnormaal grote hoeveelheden Aß*56. Om te toetsen of dit eiwitcomplex de problemen veroorzaakte, injecteerden zij het in de hersenen van jonge ratten. Deze moesten daarna de weg leren in een nieuw doolhof. Een dag later bleek dat de ratten die met Aß*56 waren geïnjecteerd aanzienlijke moeite hadden om er weer de weg te vinden.

Deze uitkomst laat nog vele vragen open. Is Aß*56 daadwerkelijk een voorloper van de seniele plaques en dus een vroeg kenmerk van Alzheimer? Is het mogelijk om er een therapie op te baseren? En meer fundamenteel: hoe tast Aß*56 eigenlijk het geheugen aan? Want structurele schade in de hersenen veroorzaakt het twaalfdelige eiwit niet.

Huup Dassen